KB vrije wapens WOI - nieuw juridisch wangedrocht in het Belgisch Staatsblad

Het Belgisch Staatsblad van 8 april 2014 publiceert een KB van 2 april 2014 waarmee de minister van Justitie, daarin geadviseerd door de Federale Wapendienst, een oplossing uit te werken voor de problematiek van de wapens bij de herdenking van de eerste wereldoorlog.

Dit KB kwam er in navolging van de vraagstelling rond de problemen die veroorzaakt werden door de afschaffing van de lijst van vrij verkrijgbare historische wapens (hfd lijst). Door deze overdrijving van de regelgever kwam de herdenking voor WOI het het gedrang. De beste oplossing ware geweest om de oude lijst van historische wapens zoals ze bestond t.e.m. 2007 (lijst van 1991 met correcties in 1995) terug in te voeren, eventueel met schrapping van de handvuurwapens. Nu men de volledige lijst heeft afgeschaft, onstaan allerhande ongewenste neveneffecten.

Voor de beoefenaars van re-enactment en de buitenlandse groepen die hier de honderdste verjaardag van het begin van de eerste wereldoorlog vieren is dit KB echter slechts een matige geruststelling.

De tekst is onduidelijk en op tal van plaatsen vatbaar voor interpretatie. Daarnaast is er een ernstig risico dat er nieuwe misbruiken ontstaan. Het getuigt van een onzorgvuldig bestuur dat de minister van Justitie deze zaken niet aanpakt. Spijtig genoeg is dit KB het zoveelste bewijs van de desinteresse van de huidige minister van Justitie om een fatsoenlijke regeling voor particulier wapenbezit uit te werken. Anderzijds is mevr. Turtelboom er als eerste bij om aan steekvlampolitiek te doen en in de pers allerhande verklaringen op basis van emoties af te leggen.

Het is net deze aanpak die ervoor zorgt dat er in ons land ongeveer 3 keer meer illegale wapens zijn dan legale waardoor de overheid de controle verliest. Ook de politiediensten en parketten kunnen deze aanpak niet smaken. Al enige tijd wijst het college van Procureurs-Generaal de minister op de gebreken in de wet en de uitvoering ervan. De minister, die blindelings de adviezen van de Federale wapendienst volgt, blijft koppig volharden en is doof voor deze opmerkingen vanuit de parketten.

Het KB bevat relatief weinig spel- en grammatica fouten. Daarmee is de belangrijkste kwaliteit ervan toegelicht.

Vanuit juridisch oogpunt is het KB een wangedrocht. Een eerste snelle analyse legt al de volgende pijnpunten bloot:

  • de wapens de in België tijdens WOI gebruikt werden, zijn vrij. De wapens van voor WOI staan daar niet bij. Als men dus ook historische evocaties wil doen met wapens van voor 1914, is dit een probleem;
  • het volstaat dat men "schriftelijk" een vereniging opricht "in het land van herkomst". Het moet duidelijk zijn dat dit dus ook voor Belgische verenigingen moet kunnen gelden (zie 5°). Een feitelijke vereniging oprichten en enkele verantwoordelijken aanduiden is voldoende;
  • het is niet duidelijk of ook de munitie van alle wapens uit WOI dan vrij wordt. Nu wordt gezegd dat de wapens soms vrij zijn, maar dat ze tijdens de evenementen niet met scherpe munitie geladen mogen worden (zie 4°). Op basis van art. 22, §1 WW geldt dat enkel voor de munitie voor vergunningsplichtige wapens de verplichting geldt een vergunning aan te vragen. Over munitie voor vrij verkrijgbare vuurwapens wordt niets gezegd. Het KB van 2 april 2014 heeft dus tot gevolg dat wie nog munitie heeft uit WOI niet meer vervolgd kan worden voor dat bezit.
  • het volstaat dus dat men een vereniging opricht (schriftelijk, kan dus ook een feitelijke vereniging zijn), dat er enkele "verantwoordelijken" worden aangeduid die de wapens mogen voorhanden hebben en dat enkele optochten en evenementen worden georganiseerd. In de praktijk zal dit zeer moeilijk controleerbaar zijn. Doordat het KB geen formaliteiten voor overdrachten etc regelt (behalve dan de "inventaris", zie verder), kan om het even wie nog met deze wapens wordt aangetroffen nog beweren dat ze in het kader van die vereniging gebruikt werden;
  • .

  • in het laatste lid staat dat de bepaling niet van toepassing is voor "overdrachten" van wapens, ook als deze overdrachten pas na 2018 worden vastgesteld. Allicht werd deze ongelukkige paragraaf ingevoegd om te vermijden dat nog wapens kunnen overgedragen worden onder het nieuwe statuut. Dit heeft diverse nadelen. Vooreerst belet het dat de organisaties van re-enactment nog wapens kunnen bijverwerven onder het nieuwe regime. Voorts is het zo dat de overgangsperiode voor registratie ex HFD wapens nog tot 25 mei 2014 loopt. Dit betekent dus dat iedereen nog die wapens onder het nieuwe regime kan krijgen vermits er geen enkele controle of registratie was van de vroegere HFD wapens. Mits schriftelijke oprichting van een vereniging en aanduiding van een verantwoordelijke kan men zich onttrekken aan de regelgeving. Ook dit maakt controle niet mogelijk;
  • het is vreemd dat het toepassingsgebied beperkt wordt in de tijd, het KB wordt immers opgeheven op 1 januari 2019. Wat doet men als men in 2024 de 110 de verjaardag wil vieren ? Gaat de auteur van het KB er dan van uit dat tegen dan niemand meer geïnteresseerd is in een herdenking ?
  • Na het verval van het KB kunnen de groepen geen erkenning als verzamelaar aanvragen onder hetzelfde gunstregime dat nu geldt onder de overgangsregeling voor de afschaffing van de HFD lijst;
  • de Vlaamse overheid heeft beloofd om de gepaste procedure uit te werken voor in- en uitvoer en houdt zich daar ook aan. Degene die wapens overbrengt zal echter wel moeten aantonen dat de wapens vrij verkijgbaar zijn. In het KB is niet voorzien op welke manier men hier zekerheid over kan krijgen.
  • het KB is genomen zonder dat het in de adviesraad (art. 37 WW) werd besproken. Het kwam dus tot stand zonder overleg met de sector. Nochtans vereist art. 35, 7° WW dat de adviesraad wordt bijeengeroepen voor het bepalen van de maatregelen ter vaststelling van het verkrijgen, de verkoop, de overdracht van vuurwapens en munitie en het voorhanden hebben van vuurwapens. De verplichting om een inventaris op te stellen en deze door de politie van de woonplaats te laten viseren(6°) is een maatregel ter vaststelling van het voorhanden hebben van vuurwapens. Het KB is dus aangetast door een vormgebrek in dit opzicht. Voorts laat de minister hier duidelijk blijken dat ze het niet nodig vindt om de in de wet voorgeschreven overlegprocedures met de sector te volgen. Dat is weinig democratisch.

Voorts is de tekst dermate onduidelijk en laat hij zeer grote ruimte voor interpretaties waardoor hij onvoldoende rechtszekerheid biedt. Het kan dus, bv t.a.v. buitenlandse groepen, nog steeds niet worden uitgesloten dat hun historische wapens alsnog in beslag zouden genomen worden.

Wordt allicht nog wel vervolgd.