Wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens

Publicatie: BS 17 juli 2018

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

Art. 2. De proefbank voor vuurwapens, zoals opgericht bij de wet van 24 mei 1888 houdende regeling van den toestand der proefbank voor vuurwapens gevestigd te Luik, en hierna "proefbank" genoemd, is een autonome instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid. De proefbank valt onder de toepassing van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

Art. 3. De proefbank heeft als opdracht:
1° het keuren en het certificeren van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en patronen, volgens de voorwaarden bepaald door de Koning;
2° de opspoorbaarheid, de identificatie en de categorisatie van de in België gefabriceerde of ingevoerde vuurwapens overeenkomstig de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens;
3° de homologatie van alarmwapens overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 november 1996 tot indeling van sommige alarmwapens bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens;
4° het neutraliseren, het ombouwen en het vernietigen van de vuurwapens overeenkomstig de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens;
5° het toezicht op vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en alarmwapens binnen het kader van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten;
6° het attesteren van de technische kenmerken van vuurwapens;
7° de kennisontwikkeling, het deelnemen aan nationale en internationale werkgroepen en de technische ondersteuning van overheden in het kader van de opdrachten vermeld in dit lid.
De proefbank ontwikkelt de nodige activiteiten om aan haar opdrachten te voldoen en kan ook nevenactiviteiten ontwikkelen die aansluiten bij haar opdrachten.

Art. 4. De Koning bepaalt de ligging van de zetel van de proefbank.

De proefbank kan bijkomende antennes vestigen op het nationale grondgebied.

De proefbank mag geen andere onroerende goederen bezitten dan degene die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van haar werkzaamheden.

Art. 5. De organen van de proefbank zijn de Raad van Bestuur en de directeur.

De omschrijving en de invulling van de opdrachten van deze organen wordt door de Koning bepaald.

De organen stellen in overleg een huishoudelijk reglement op dat aan de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.

HOOFDSTUK 2. - De Raad van Bestuur

Art. 6. § 1. De Raad van Bestuur bestaat uit:
1° drie leden die de representatieve belanghebbende economische sectoren vertegenwoordigen, waarvan er ten minste één de wapenfabrikanten vertegenwoordigt;
2° vier onafhankelijke leden op gezamenlijke voordracht van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Justitie.
Bij de samenstelling wordt de taalpariteit verzekerd. De taalrol van de voorzitter wordt niet in rekening gebracht.
De onafhankelijke leden voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° zij zijn geen verzamelaar van wapens, wapenhandelaar of werknemer ervan, of lid van een vereniging van wapenhandelaars, verzamelaars of -gebruikers;
2° hun verwanten tot de tweede graad zijn geen wapenhandelaar;
3° ze hebben gedurende een periode van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel uitgemaakt van het leidinggevend personeel van de proefbank; en
4° hun echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad maken geen deel uit van de Raad van Bestuur of het leidinggevend personeel van de proefbank.

De leden worden benoemd door de Koning.

§ 2. Onder de onafhankelijke leden van de Raad van Bestuur wordt een voorzitter gekozen.

§ 3. Overeenkomstig artikel 9, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, benoemt de Koning de regeringscommissarissen op voordracht van de minister bevoegd voor Economie evenals op voordracht van de minister bevoegd voor Justitie.

De regeringscommissarissen beschikken voor het vervullen van hun opdracht over de ruimste macht.

§ 4. De leden van de Raad van Bestuur worden benoemd voor een termijn van zes jaar die hernieuwbaar is.

Indien het mandaat van een lid van de Raad van Bestuur vroegtijdig wordt beëindigd, wordt een vervanger benoemd door de Koning voor de resterende duur van het mandaat.

HOOFDSTUK 3. - De directeur

Art. 7. De directeur van de proefbank wordt benoemd door de Koning, en kan door Hem worden ontslagen.

De Koning bepaalt de procedure van de benoeming, de evaluatie, de schorsing en de beëindiging van het mandaat van de directeur.

Art. 8. De directeur wordt benoemd voor een periode van zes jaar. Het mandaat is hernieuwbaar na een gunstig advies van de Raad van Bestuur.

Art. 9. De directeur staat in voor het dagelijks bestuur van de proefbank en stelt alle handelingen die nodig of dienstig zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten, en kan hiertoe verbintenissen afsluiten.

De directeur staat onder toezicht van de Raad van Bestuur.

HOOFDSTUK 4. - Werking van de proefbank

Art. 10. § 1. Behoudens hetgeen bepaald wordt in paragraaf 2, worden de tarieven voor het vervullen van de opdrachten van de proefbank bepaald door de Raad van Bestuur.

De tarieven worden zo bepaald, dat er geen enkele financiële last ten laste valt van de Schatkist.

§ 2. Het tarief voor de vernietiging van wapens op gerechtelijk bevel wordt bepaald door de Koning op voorstel van de Raad van Bestuur.

Deze kosten worden aan de Federale Overheidsdienst Justitie gefactureerd volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Art. 11. De Koning bepaalt de technische proeven en controles waaraan de vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en patronen dienen te worden onderworpen, alsmede de technische vereisten waaraan deze met het oog op het certificeren ervan moeten voldoen.

Art. 12. Beroepen over beslissingen van de proefbank worden bij de proefbank ingediend volgens de procedure vastgelegd in het huishoudelijk reglement.

HOOFDSTUK 5. - Toezicht en sancties

Art. 13. Niemand mag onder zich houden voor het schieten of gebruiken voor het schieten, verkopen, te koop stellen, noch in zijn magazijnen, winkels, opslagplaatsen of werkplaatsen hebben, vuurwapens, onderdelen van vuurwapens of patronen die niet aan de voorwaarden van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten voldoen.

Art. 14. Vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en patronen, die gekeurd en gecertificeerd zijn door een door de Belgische overheid erkende proefbank onder de voorwaarden bepaald bij de overeenkomst tot wederzijdse erkenning van draagbare vuurwapens goedgekeurd bij de wet van 20 januari 1971 houdende goedkeuring van de overeenkomst tot wederzijdse erkenning van de beproevingsstempels voor draagbare vuurwapens en van het reglement met bijlagen I en II, opgemaakt te Brussel op 1 juli 1969, worden geacht te voldoen aan de door de Koning bepaalde voorwaarden, bedoeld in artikel 11.

Art. 15. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Justitie schrijven de controle- en toezichtmaatregelen betreffende de interne werking van de proefbank, voor.

Art. 16. Elke inbreuk op artikel 13 is strafbaar met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 1 maand en een geldboete van 26 tot 25 000 EUR en, in voorkomend geval, de inbeslagname en de verbeurdverklaring, zonder vergoeding, van de vuurwapens, de onderdelen van vuurwapens en de patronen die aanleiding tot de inbreuk hebben gegeven, ook al behoren ze niet tot de overtreder.

Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, inclusief hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de inbreuken bedoeld in het eerste lid onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in het derde lid.

Bij herhaling binnen een periode van vijf jaar vanaf de datum van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens dezelfde inbreuk worden de maximale geldboetes en opgelopen straffen verdubbeld.

Art. 17. De Koning stelt de directeur en hoogstens twee werknemers van de proefbank, voorgesteld door de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Justitie, aan in de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, om het hoge toezicht te houden op de veiligheid en conformiteit van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en patronen via de controle van de toepassing van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en om de inbreuken van dezelfde bepalingen op het gehele grondgebied op te sporen en vast te stellen.

Zij die worden aangesteld in de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun woonplaats.

HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 18. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, worden in de categorie C, op hun plaats in de alfabetische volgorde, de woorden: "de proefbank voor vuurwapens" ingevoegd.

Art. 19. § 1. De wet van 24 mei 1888 houdende regeling van den toestand der proefbank voor vuurwapens gevestigd te Luik, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 april 2016, wordt opgeheven.

§ 2.[ Aan de mandaten van de bestuurder van de proefbank, de voorzitter, de ondervoorzitter en de wapenmeesters van de bestuurscommissie die bij de inwerkingtreding van deze wet in functie zijn, wordt van rechtswege een einde gesteld.

Zij oefenen hun mandaat verder uit tot er is voorzien in hun vervanging.]

bij arrest nr. 47/2019 van 19-03-2019 (B.St. 10-04-2019, p. 36379), heeft het Grondwettelijk Hof dit 19, §2 vernietigd, het betrekking heeft op de directeur van de proefbank voor vuurwapens zonder in een adequate overgangsbepaling te voorzien

Art. 20. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2019.

De Koning kan voor iedere bepaling ervan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.