Aangepaste wapenwet houdt rekening met gewijzigde EU wapenrichtlijn

Ook op Europees vlak worden intiatieven genomen ter harmonisering van de wapenwet.

Na het wegvallen van de binnengrenzen van de Europese Unie was het nodig om een algemeen kader te voorzien waardoor elke listaat een aantal minimum voorwaarden oplegt voor het verwerven van vuurwapens.

De richtlijn verplicht de lidstaten ertoe de vuurwapens in te delen in minimum vier categorieën (cat. A tot D). Ze verplicht lidstaten het voorhanden hebben van vuurwapens in categorie A te verbieden, of toch minstens voor te behouden aan overheidsdiensten.

Voor vuurwapens in wapencategorie B moeten de lidstaten een vergunning eisen. Deze vergunning mag slechts worden afgegeven voor wie minstens aan de volgende voorwaarden voldoet (zie artikel 5 van de richtlijn):

  • een wettige reden opgeven
  • meerderjarig zijn, met een uitzondering voor jagers en spotschutters (die het b.v. mogelijk maakt dat in Vlaanderen minderjarigen vanaf 16 jaar met vuurwapens aan sportschieten kunnen doen via de Vlaamse sportschutterslicentie);
  • geen gevaar betekenen voor zichzelf, voor anderen of voor de openbare veiligheid

Vuurwapens in categorie mogen voorhanden gehouden worden, mits registratie. In België bestaat deze uitzondering voor jagers en sportschutters (zie artikel 12 wapenwet).

De lidstaten mogen toestaan dat wapens in categorie D vrij verkocht worden.

Te pas en en te onpas wordt de draagwijdte van deze richtlijn verdraaid door tegenstanders van particulier wapenbezit die blijkbaar om ideologische redenen verblind zijn, en alle middelen goed vinden om de goegemeente van hun gelijk te overtuigen. Een Europese richtlijn verdraaien maakt blijkbaar deel uit van hun standaard arsenaal.

Tijdens de parlementaire bespreking van de wapenwet herhaalde Stefaan Van Hecke (Groen!) regelmatig het standpunt dat de wijziging van de wapenwet in strijd zou zijn met het Europees recht. Hij volgt daar de argumentatie die ook te vinden is op de website van het Vlaams Netwerk Lichte Wapens en die ontwikkeld is door de heer Berkol, een "onderzoeker" van het GRIP (Groupement de Recherche International sur la Paix), dit is de grootste anti-wapen NGO die in Europa actief is. De Grip wordt onder andere gesteund door de Nationale Loterij. Zowel GRIP als het Vlaams Netwerk Lichte Wapens worden gesteund door IANSA, de internationale anti-wapenlobby.

De aangehaalde argumenten waren de volgende:

  • "De Europese richtlijn verplicht de lidstaten om de duur van de vergunningen te beperken".
    Dit argument is gebaseerd op een verkeerde lezing van artikel 7.4 van de EU richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de richtlijn 2008/51. Dit artikel bepaalt het volgende:

    4. De lidstaten kunnen aan personen die aan de voorwaarden voor de verlening van een vuurwapenmachtiging voldoen, een meerjarige vergunning verlenen voor het verwerven en voorhanden hebben van alle machtigingsplichtige vuurwapens, onverminderd:
    a) de verplichting de bevoegde instanties van eventuele overbrengingen in kennis te stellen;
    b) regelmatige controles om te zien of die personen nog aan de voorwaarden voldoen, en
    c) de in de nationale wetgeving vastgelegde maximumlimieten voor wapenbezit.

    Dit artikel maakt het mogelijk dat de lidstaten vergunningen toekennen voor ALLE wapens die in categorie B zijn ingedeeld (en dus in België zijn ingedeeld in vergunningsplichtige wapens). Dergelijke vergunning bestaat in ons land niet. Artikel 10 wapenwet stelt duidelijk dat de vergunning per wapen moet worden aangevraagd. Derhalve is het bepaalde onder 7.4. nooit van toepassing in België, vermits ons intern recht geen wapenvergunning kent die geldig is voor het verwerven van meerdere wapens. Derhalve geldt ook de verplichting niet om de "maximumlimieten" vast te leggen. Dit argument doet dus niet ter zake.

  • ""De Europese richtlijn staat eraan in de weg dat het behouden van wapens in het patrimonium van erflaters, vroegere vergunninghouders of gewezen jagers en sportschutters mogelijk is.
    Ook dit is een foutief argument. De regeling voor passief wapenbezit is gebaseerd op rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Eigenlijk doet de wetgever hier niets anders dan de gevolgen van een arrest van het Grondwettelijk Hof regelen, door nauwkeurig te gaan bepalen in welke gevallen passief wapenbezit mogelijk is, en onder welke voorwaarden. We mogen trouwens niet vergeten dat de passieve wapenbezitter nog steeds een vergunning moet vragen. Hij voldoet dus minstens aan de minimum voorwaarden zoals opgelegd in artikel 5 van de Europese wapenrichtlijn. Daarnaast mag de passieve wapenbezitter geen munitie bezitten.
    België blijft dus, door de gewijzigde wapenwet, wel degelijk voldoen aan de bepalingen van de Europese vuurwapenrichtlijn. De richtlijn vereist een "wettige reden", maar beperkt deze niet tot een aantal redenen (zoals de Belgische wetgeving trouwens wel doet in art. 11, §3, 9° wapenwet). Derhalve belet de richtlijn niet dat het behouden van de wapens die voorheen vergund waren in het patrimonium een wettige reden kan zijn. Trouwens, de richtlijn zelf bevat in haar artikel 7.5 een overgangsbepaling die analoog is aan de oplossing die het Grondwettelijk Hof, daarin gevolgd door de wetgever, voorstellen.

Uit wat voorafgaat, blijkt dat onze tegenstanders geen intellectuele oneerlijkheden en bedrog schuwen om op basis van pseudo-juridische argumenten alsnog hun gelijk proberen te halen.

Ook hun andere argumenten tegen een wapenwet houden geen steek. Zo blijven ze beweren dat het aantal slachtoffers van geweldmisdrijven zal blijven toenemen naarmate er meer vuurwapens zijn. Dit wordt door de feiten tegen gesproken. We verwijzen hiervoor naar een studie die gepubliceerd is op www.gunfacts.be. Deze studie is gebaseerd op incidenten die gerapporteerd werden in de Belgische kranten na 8 juni 2006, dit is de datum van inwerkingtreding van de wet Onkelinx. Uit de studie blijkt duidelijk dat het aantal slachtoffers van familiedrama's en geweld blijft stijgen. Ook de voorbeelden uit het Verenigd Koninkrijk spreken boekdelen. Na het radicale verbod op handvuurwapens, ingevoerd na het Dunblane-drama in 1997, blijkt de criminaliteit, vooral de vuurwapencriminaliteit, spectaculair toe te nemen.

De anti-wapenlobby weigert in te zien dat de enige manier om misdrijven te vermijden erin bestaat om het illegaal wapenbezit verder aan te pakken. Het is niet door het legaal wapenbezit te regelen dat men misdrijven of drama's gaat voorkomen.