Milieuvergunningsvoorwaarden schietstanden Vlarem II - Afd. 32.7

Uittreksel uit Titel II van het VLAREM
Besluit van de Vlaamse regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne

Afdeling 5.32.7. Schietstanden in een lokaal

Subafdeling 5.32.7.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.32.7.1.1. § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.7 van de indelingslijst ondergebracht in een gesloten lokaal.

§ 2. 1° De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op het gaaischieten met de handboog, andere dan kruisboog, zijnde handelingen die niet onder de toepassing vallen van de subrubriek 32.7 van de indelingslijst.
2° Zij zijn evenmin van toepassing op de schietstanden waarin bewakingspersoneel wordt getraind. Voor deze schietstanden gelden de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 15 oktober 1991 tot regeling van de schietstanden voor de opleiding en training in vuurwapens.
3° De verbodsbepaling van artikel 5.32.7.2.1, § 2 is niet van toepassing op het ogenblik waarop de schietstand gebruikt wordt voor schietoefeningen georganiseerd door politie- en/of rijkswachtkorpsen, met inbegrip van de schietverenigingen die in deze korpsen bestaan en waarvan uitsluitend de leden van het korps in actieve dienst lid kunnen zijn, alsook door de ambtenaren die bevoegd zijn wapens te dragen.

§ 3. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de schietstanden ingedeeld in de volgende vijf categorieën:

1° categorie A: de in subrubriek 32.7.2 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen, ontladen en op het doel geschoten wordt met volgende wapens en munitie:
a) geweer en karabijn met munitie als normaal gebruikt voor pistool en revolver;
b) pistool en revolver met normale revolver- en pistoolmunitie;

2° categorie B: de in subrubriek 32.7.2 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen, ontladen en op het doel geschoten wordt met volgende wapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel gemeten op 1 meter van de loopmonding niet groter is dan 600 Joule:
a) geweer en karabijn met munitie klein kaliber tot .22 L.R. (Long Rifle) en dezelfde munitie als normaal gebruikt voor pistool en revolver (geen magnummunitie);
b) pistool en revolver met normale revolver- en pistoolmunitie (geen magnummunitie);

3° categorie C: de in subrubriek 32.7.2 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen, ontladen en op het doel geschoten wordt met volgende wapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel gemeten op 1 meter van de loopmonding niet groter is dan 200 Joule:
a) geweer en karabijn met munitie klein kaliber tot .22 met kamerlading;
b) pistool en revolver met munitie klein kaliber tot .22, (geen magnummunitie);

4° categorie D: de in subrubriek 32.7.1 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen en ontladen en op het doel geschoten wordt enkel met luchtdrukgeweer en/of luchtdrukpistool en/of kruisbogen;

5° categorie E: de in subrubriek 32.7.1 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, binnen een gebouwencomplex gebruikt door een der algemene of bijzondere politiediensten, bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augstus 1992 op het politieambt, waar er geladen en ontladen en op het doel geschoten wordt met munitie zonder metalen kogel zoals plastieken munitie 9 mm, waarvan de kinetische energie van de kogel gemeten op 1 meter van de loopmonding niet meer dan 220 Joule bedraagt, tenzij andere munitie bepaald wordt in de milieuvergunning.

Subafdeling 5.32.7.2. Schietstanden van categorie A

Artikel 5.32.7.2.1. § 1. De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie A.

§ 2. Jacht- en oorlogswapens alsmede jacht- en oorlogsmunitie zijn verboden in de schietstand.

§ 3. De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

§ 4. Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

§ 5. Het gebruik van kogels met hardstalen kern, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.

Artikel 5.32.7.2.2. Bouw
§ 1.
De schietstand is ondergebracht in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal, gebouwd volgens een code van goede praktijk, waarvan de wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid zijn.

§ 2. De vloer is afgewerkt met een laag in een zacht materiaal zoals een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting, rubber, cementzandbedlaag, e.d.. Het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden of waaronder zich stof kan ophopen, is verboden.

§ 3. De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger zoals bedoeld in artikel 5.32.7.2.3.

§ 4. Het gedeelte van de aanschietbare wand dat niet beschermd is door de kogelvanger, alsmede de zijwanden en het plafond, over een afstand van minimum 10 meter te rekenen vanaf de standplaats van de schutter, zijn bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden, zoals bv. met op regels aangebrachte houtwolcementplaten van een minimum dikte van 50 mm of met vurenhout ten minste 25 mm dik aangebracht op regels van ten minste 30 mm dik.

§ 5. Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, aandrijfmechanisme van silhouetten, e.d., moeten maximaal vermeden worden. Indien ze constructief nodig zijn moeten ze:
1° ofwel bekleed met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden;
2° ofwel afgeschermd door staalplaten, zodanig aangebracht dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

§ 6. Tussen de standplaats van de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.
Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.
Deze nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

§ 7. Toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dien(t)en in de vluchtrichting open te draaien. § 8. Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.

Artikel 5.32.7.2.3. Kogelvanger

§ 1. De kogelvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.2.2., §3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:
1° de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
2° het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;
3° het produceren van loodhoudend stof bij de impact minimaliseren.

§ 2. De kogelvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:
1° een kogelvanger bestaande uit een zandlichaam; het talud van het zandlichaam moet gevormd zijn door een laag zand met een dikte van tenminste 0,5 m en mag geen kleinere helling hebben dan 2 (verticaal) op 3 (horizontaal) en de breedte van de bovenzijde is ten minste 1,2 m;
2° een staalplaat met een Brinell hardheid van 320 - 400 Hb uit één laag met dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70° met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm; op de bodem is voor het opvangen van de projectielen een lade geplaatst uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm;
3° lamellen van staalplaat met een Brinell hardheid van 320 - 400 Hb uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting met staalplaat met een dikte van ten minste 8 mm;
4° een stelsel van twee opeenvolgende rijen dicht bij elkaar, evenwel zonder elkaar te raken, kopshangende dikke rubberen strippen, met een minimum breedte per rij van 80 cm., waarbij de eerste rij strippen een zeer lichte hoek dient te vertonen met de as van de schietbaan en de tweede rij strippen een lichte verschuiving vertoont ten opzichte van de eerste; achter deze dubbele rij strippen dient een staalplaat met een minimum dikte van 8 mm aangebracht;
5° een gebeurlijk ander type kogelvanger dient vooraf ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen.

§ 3. De kogelvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien. Bij de uitvoeringen vermeld onder §2, sub 1° en 2° dient nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval moeten de platen bijgeslepen worden. Bij de uitvoering vermeld onder § 2 sub 3° en 4° moeten de kogels die eventueel in de rubberen strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten regelmatig verwijderd worden. Beschadigde strippen moeten worden vervangen.§ 4. De kogels dienen regelmatig verwijderd zodat geen koekvorming kan optreden en de veiligheid gegarandeerd blijft.

Artikel 5.32.7.2.4. Uitrusting gebouw
§ 1.
De brandweerstand Rf van alle wanden, plafonds, deuren, enz. is tenminste één uur (NBN 713.020).

§ 2. Het is verboden wand-, plafond- en vloerbedekking uit te voeren in licht brandbare materialen, of materialen die bij brand giftige gassen afgeven.
Het gebruik van poreuze materialen is slechts toegelaten wanneer deze zelfdovend zijn (NBN S21 - 203 categorie AO). Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

§ 3. De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietzone moeten op doeltreffende wijze tegen inslag van projectielen beschermd worden.

§ 4. De schietstand is uitgerust met een veiligheidsverlichting die automatisch in werking treedt bij het uitvallen van de hoofdverlichting.

§ 5. Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

§ 6. De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

§ 7. Leidingen met brandbare gassen of ontvlambare vloeistoffen zijn in het schietlokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.

Artikel 5.32.7.2.5. Onderhoud
§ 1.
Alle plaatsen waar zich stof met onverbrand kruit kan bevinden, inzonderheid vloeren, wanden, ventilatiekokers, stoffilters, enz., moeten regelmatig gereinigd worden. Het verzameld stof moet in afwachting van de verwijdering bevochtigd gehouden worden.
Datum en aard van de onderhoudswerkzaamheden moeten genoteerd worden in een register dat deel uitmaakt van het door de exploitant bij te houden veiligheidsdossier dat ter inzage dient gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

§ 2. Indien gebruik gemaakt wordt van een stofzuiger, moet het een explosiebeveiligde uitvoering zijn.

Artikel 5.32.7.2.6. Brandvoorkoming en -bestrijding
§ 1.
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.1. beschikt de inrichting over een voldoend aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegd deskundige. De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar dient gehouden.
De blustoestellen mogen zich niet in de schietzone bevinden.

§ 2. Het opslaan van brandbare of ontplofbare stoffen in de schietruimte is verboden.

§ 3. Elke schutter neemt niet meer patronen mee in de schietruimte dan hij nodig heeft voor zijn schietbeurt.

§ 4. Het is verboden in de schietstand te roken.

Artikel 5.32.7.2.7. Geluid en trillingen
§ 1.
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. gelden met betrekking tot geluid en trillingen ook de bepalingen van dit artikel. § 2. Het in hoofdstuk 4.5. bedoelde specifiek geluid Lsp wordt als volgt gedefinieerd en gemeten:

1° Lsp is de logaritmische som van het niveau van het eigenlijke schietgeluid (Lsch) en van het niveau van het overige geluid veroorzaakt door de schietstand (Lrest);
2° Lsch wordt berekend volgens de volgende formule:
Lsch = 10 log (Σi=1->n 10Li/10 ) - 23
waarin:
Li: het geluidsniveau afkomstig van de knal i en de bijhorende inslag;
n: het totaal aantal schoten per uur is; richtgetallen voor n zijn: - pistool/revolver: (aantal schietbanen) × 150
- karabijn: (aantal schietbanen) × 90
- geweer: (aantal schietbanen) × 60
3° Li wordt gemeten als LAeq,1s, LAE of SEL, met instelling van de snelle dynamische karakteristiek;
4° Lrest is het LA95,1h van het specifiek geluid van de inrichting wanneer niet geschoten wordt.

Artikel 5.32.7.2.8. Verluchting - Luchtverontreiniging
§ 1.
De schietstand is voorzien van een mechanische verluchting, zodanig dat de schadelijke stoffen die bij het schieten in de lucht vrijkomen op een doeltreffende wijze worden verwijderd. Het ventilatiesysteem is zodanig ontworpen dat verse lucht wordt aangevoerd achter de schutters en ter hoogte van de kogelvanger wordt weggezogen. De capaciteit is zodanig dat een luchtsnelheid van minimum 0,2 m/sec in de schietrichting wordt verkregen en dit bij een laminaire luchtstroming. De luchttoevoer is uitgerust met een noodstop voor gebruik in geval van brand.
Ingeval de schutter een wisselende standplaats inneemt dient een luchtsnelheid van minimum 2 m/sec in de schietrichting verkregen te worden.

§ 2. De nodige maatregelen worden genomen om een abnormale stofemissie te voorkomen.

§ 3. De verspreiding van loodhoudend stof in de omgeving wordt voorkomen door een daartoe doeltreffende en brandveilige filterinstallatie op de uitlaat van het ventilatiesysteem te plaatsen. § 4. De uitlaat wordt zodanig geplaatst dat de afvalgassen zich gemakkelijk voldoende kunnen verspreiden.

Artikel 5.32.7.2.9. Veiligheid
§ 1.
Op de buitenzijde van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters:
"OPGELET SCHIETSTAND - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN".

§ 2. Boven elke toegansdeur tot het schietlokaal bevindt zich langs de buitenzijde van het lokaal een rood lichtsignaal dat is aangestoken wanneer de schietstand in werking is.

§ 3. Het is verboden wapens te laden of geladen wapens te hebben in de lokalen of op de terreinen van de inrichting, buiten de eigenlijke schietstand, uitgenomen voor de personen bevoegd een geladen wapen te dragen.

§ 4. De standplaatsen van de schutters moeten goed bepaald zijn zodanig dat uitgeworpen hulzen belendende schutters niet kunnen hinderen.

§ 5. Als de schietstand gelijktijdig gebruikt wordt door meer dan één schutter mag er uitsluitend geladen, eventueel ontladen, en op doel geschoten worden vanop de daarvoor bepaalde plaatsen. § 6. Het aantal personen toegelaten op de schietstand is beperkt tot de schutters, al dan niet in opleiding, de schietmonitoren en/of de personen die nodig zijn om de arbitrage en het toezicht uit te oefenen en eventueel publiek.
Het maximum aantal aanwezige personen moet bepaald worden in overleg met de bevoegde brandweerdienst. In elk geval moet het publiek minimum 2 meter achter de standplaats van de schutter plaats nemen, waarbij een bezetting van maximum 2 personen per m2 moet gerespecteerd worden.
Er moet steeds tenminste een tweede persoon aanwezig zijn gedurende de schietoefeningen.

§ 7. Bij het betreden van de schietzone moet automatisch een alarmsignaal in werking treden, bv. een knipperlicht.

§ 8. De schietstand moet uitgerust zijn met tenminste één gemakkelijk te bereiken telefoontoestel.

§ 9. Een intern ordereglement wordt ter kennis gebracht van de plaatselijke politie of rijkswacht. Dit intern ordereglement bevat: de richtlijnen en verplichtingen in verband met de registratie van de schutters, de modaliteiten aangaande het laden en het ontladen van wapens, de modaliteiten van het schieten o.a. de schietdisciplines en de standplaatsen en aangaande het betreden en evacueren van de schietzone. Het reglement vermeldt uitdrukkelijk dat de schutters de bevelen in verband met de veiligheid van de verantwoordelijke persoon dienen na te leven.

Deze reglementering en andere veiligheidsvoorschriften worden ook ter kennis gebracht van de schutters en zijn op een voldoend aantal zichtbare plaatsen aangeplakt.

Artikel 5.32.7.2.10. Signalisaties
§ 1.
Elke uitgang of nooduitgang moet aangegeven zijn door reglementaire pictogrammen. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de schietstand goed zichtbaar zijn. Zij moeten tevens op kniehoogte of lager aangebracht worden. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

§ 2. De deuren en vluchtruimten die niet op een uitgang uitgeven moeten een goed leesbaar opschrift "GEEN NOODUITGANG", of een gelijkwaardig pictogram, dragen.

§ 3. Aanduidingen die een rookverbod opleggen, moeten op goed zichtbare plaatsen aangebracht worden.

Artikel 5.32.7.2.11. Afval
§ 1.
Na iedere schietbeurt moeten de lege hulzen ingezameld worden en in een afgesloten metalen doos worden bewaard.

§ 2. Het verzameld stof met onverbrand kruit moet bevochtigd gehouden worden in afwachting van evacuatie.

§ 3. De lege hulzen en kogelafval moeten ofwel afgegeven voor recyclage ofwel afgevoerd en verwijderd overeenkomstig de ter zake van toepassing zijnde reglementering.
Zowel het verzamelde stof als de vervuilde filters (zowel van de afzuiging als van de stofzuiger) dienen afgevoerd overeenkomstig de ter zake van toepassing zijnde reglementering.

Artikel 5.32.7.2.12. Exploitatiedossier
§ 1.
De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:
1° een veiligheidsdossier dat bevat: a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;
b) het attest van het bevoegd brandweerkorps betreffende de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen, evenals met betrekking tot het in de schietruimte toegelaten aantal personen;
c) de attesten met betrekking tot de brandweerstand of zelfdovendheid van gebruikte bouwmaterialen;
d) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
e) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.
2° het interne ordereglement;
3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;
4° de naam van de exploitant en de ledenlijst.

§ 2. Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

Subafdeling 5.32.7.3. Schietstanden van categorie B

Artikel 5.32.7.3.1.
§ 1.
De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie B.

§ 2. De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

§ 3. Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

§ 4. Het gebruik van kogels met hardstalen kern, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.

Artikel 5.32.7.3.2. Bouw.
§ 1.
De schietstand is ondergebracht in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal waarvan de wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 10 cm dik of uit vol metselwerk, minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid zijn.

§ 2. De vloer is afgewerkt met een laag in een zacht materiaal zoals een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting, rubber, cementzandbedlaag, e.d.. Het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden of waaronder zich stof kan ophopen, is verboden.

§ 3. De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als bedoeld in artikel 5.32.7.3.3.

§ 4. Het gedeelte van de aanschietbare wand dat niet beschermd is door de kogelvanger, alsmede de zijwanden en het plafond, over een afstand van minimum 10 meter te rekenen vanaf de standplaats van de schutter, zijn bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden, zoals bv. met op regels aangebrachte houtwolcementplaten van een minimum dikte van 50 mm of met vurenhout ten minste 25 mm dik aangebracht op regels van ten minste 30 mm dik.

§ 5. Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, aandrijfmechanisme van silhouetten, e.d., moeten maximaal vermeden worden. Indien ze constructief nodig zijn moeten ze:
1° ofwel bekleed zijn met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden;
2° ofwel afgeschermd zijn door staalplaten, zodanig aangebracht dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

§ 6. Tussen de standplaatsen van de schutters en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.
Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.
Deze nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

§ 7. De toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dient(en) in de vluchtrichting open te draaien.§ 8. Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.

Artikel 5.32.7.3.3. Kogelvanger
§ 1.
De kogelvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.3.2., § 3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:
1° de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
2° het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;
3° het produceren van loodhoudend stof bij de impact minimaliseren.

§ 2. De kogelvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:
1° een staalplaat uit één laag met dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek van 45° met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm; op de bodem is voor het opvangen van de projectielen een lade geplaatst uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm;
2° lamellen van staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting met staalplaat met een dikte van ten minste 8 mm;
3° een stelsel van twee opeenvolgende rijen dicht bij elkaar, evenwel zonder elkaar te raken, kopshangende dikke rubberen strippen, met een minimum breedte per rij van 80 cm., waarbij de eerste rij strippen een zeer lichte hoek dient te vertonen met de as van de schietbaan en de tweede rij strippen een lichte verschuiving vertoont ten opzichte van de eerste; achter deze dubbele rij strippen dient een staalplaat met een minimum dikte van 8 mm aangebracht onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°;
4° een kogelvanger bestaande uit een zandlichaam; het talud van het zandlichaam moet gevormd zijn door een laag zand met een dikte van ten minste 0,5 m en mag geen kleinere helling hebben dan 2 (verticaal) op 3 (horizontaal) en de breedte van de bovenzijde is ten minste 0,5 m;
5° een gebeurlijk ander type kogelvanger dient vooraf ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen.

§ 3. De kogelvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien.
Bij de uitvoeringen vermeld onder § 2, sub 1° en sub 2° dient nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval moeten de platen bijgeslepen worden.
Bij de uitvoering vermeld onder § 2, sub 3° en sub 4° moeten de kogels die eventueel in de rubber strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten regelmatig verwijderd worden. Beschadigde strippen moeten worden vervangen.

§ 4. De opvangbak van de kogelvanger wordt regelmatig geledigd derwijze dat geen koekvorming kan optreden en dat de veiligheid gegarandeerd blijft.

Artikel 5.32.7.3.4. Inzake de uitrusting van het gebouw, het onderhoud, geluid en trillingen, verluchting - luchtverontreiniging, de veiligheid, signalisaties, afval en het exploitatiedossier gelden de voorschriften van respectievelijk de artikelen:
5.32.7.2.4., 5.32.7.2.5., 5.32.7.2.6., 5.32.7.2.7., 5.32.7.2.8., 5.32.7.2.9., 5.32.7.2.10., 5.32.7.2.11. en 5.32.7.2.12.

Subafdeling 5.32.7.4. Schietstanden van categorie C

Artikel 5.32.7.4.1. § 1. De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie C.

§ 2. De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

§ 3. Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

§ 4. Het gebruik van kogels met hardstalen kern, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.

Artikel 5.32.7.4.2. Bouw.
§ 1.
De schietstand is ondergebracht in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal waarvan de wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 10 cm dik of uit vol metselwerk, minstens 14 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid zijn.

§ 2. De vloer is afgewerkt met een laag in een zacht materiaal zoals een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting, rubber, cementzandbedlaag, e.d.. Het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden of waaronder zich stof kan ophopen, is verboden.

§ 3. De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als bedoeld in artikel 5.32.7.4.3.

§ 4. Het gedeelte van de aanschietbare wand dat niet beschermd is door de kogelvanger, alsmede de zijwanden en het plafond, over een afstand van minimum 2 meter te rekenen vanaf de standplaats van de schutter, zijn bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden, zoals bv. met op regels aangebrachte houtwolcementplaten van een minimum dikte van 50 mm of met vurenhout ten minste 25 mm dik aangebracht op regels van ten minste 30 mm dik.

§ 5. Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, aandrijfmechanisme van silhouetten, e.d., moeten maximaal vermeden worden. Indien ze constructief nodig zijn moeten ze:
1° ofwel bekleed zijn met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden;
2° ofwel afgeschermd zijn door staalplaten, zodanig aangebracht dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

§ 6. Tussen de standplaats van de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.
Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.
Deze nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

§ 7. De toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dient(en) in de vluchtrichting open te draaien.§ 8. Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.

Artikel 5.32.7.4.3. Kogelvanger.
§ 1.
De kogelvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.4.2., § 3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:
1° de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
2° het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;
3° het produceren van loodhoudend stof bij de impact minimaliseren.

§ 2. De kogelvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:
1° een staalplaat uit één laag met dikte van ten minste 5 mm, geplaatst onder een hoek van 45° met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 3 mm; op de bodem is voor het opvangen van de projectielen een lade geplaatst uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm;
2° lamellen van staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 5 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting met staalplaat met een dikte van ten minste 3 mm;
3° een stelsel van twee opeenvolgende rijen dicht bij elkaar, evenwel zonder elkaar te raken, kopshangende dikke rubberen strippen, met een minimum breedte per rij van 80 cm., waarbij de eerste rij strippen een zeer lichte hoek dient te vertonen met de as van de schietbaan en de tweede rij strippen een lichte verschuiving vertoont ten opzichte van de eerste; achter deze dubbele rij strippen dient een staalplaat met een minimum dikte van 3 mm aangebracht onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°;
4° een kogelvanger bestaande uit een zandlichaam; het talud van het zandlichaam moet gevormd zijn door een laag zand met een dikte van ten minste 0,5 m en mag geen kleinere helling hebben dan 2 (verticaal) op 3 (horizontaal) en de breedte van de bovenzijde is ten minste 0,5 m;
5° een gebeurlijk ander type kogelvanger dient vooraf ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen.

§ 3. De kogelvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien.
Bij de uitvoeringen vermeld onder § 2, sub 1° en sub 2° dient nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval moeten de platen bijgeslepen worden. Bij de uitvoering vermeld onder § 2, sub 3° en sub 4° moeten de kogels die eventueel in de rubber strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten regelmatig verwijderd worden. Beschadigde strippen moeten worden vervangen.

§ 4. De opvangbak van de kogelvanger wordt regelmatig geledigd derwijze dat geen koekvorming kan optreden en dat de veiligheid gegarandeerd blijft.

Artikel 5.32.7.4.4. Inzake de brandbestendigheid, de uitrusting van het gebouw, het onderhoud, geluid en trillingen, verluchting - luchtverontreiniging, de veiligheid, signalisaties, afval en het exploitatiedossier gelden de voorschriften van respectievelijk de artikelen:
5.32.7.2.4., 5.32.7.2.5., 5.32.7.2.6., 5.32.7.2.7., 5.32.7.2.8., 5.32.7.2.9., 5.32.7.2.10., 5.32.7.2.11. en 5.32.7.2.12.

Subafdeling 5.32.7.5. Schietstanden van categorie D

Artikel 5.32.7.5.1. § 1. De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie D.

§ 2. Het is verboden in de schietstand gebruik te maken van andere wapens dan luchtdrukgeweren en luchtdrukpistolen met een maximum kaliber van 5,6 mm, en kruisbogen.

§ 3. De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

Artikel 5.32.7.5.2. Bouw.
§ 1.
De schietstand is ondergebracht in een lokaal waarvan de wanden, vloer en zoldering voldoende projectielbestendig zijn.

§ 2. De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende projectielvanger.

§ 3. Tussen de standplaats voor de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.
Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.
Eventuele nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

§ 4. De toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dient(en) in de vluchtrichting open te draaien.

§ 5. Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.

Artikel 5.32.7.5.3. Uitrusting gebouw
§ 1.
De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietstand moeten op doeltreffende wijze tegen inslag van projectielen beschermd worden.

§ 2. De schietstand is uitgerust met een veiligheidsverlichting die automatisch in werking treedt bij het uitvallen van de hoofdverlichting.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

§ 4. Leidingen met brandbare gassen of ontvlambare vloeistoffen zijn in het schietlokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.

Artikel 5.32.7.5.4. Brandvoorkoming en -bestrijding
§ 1.
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.1. beschikt de inrichting over een voldoend aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegd deskundige.
De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar dient gehouden.

§ 2. De blustoestellen mogen zich niet in de schietzone bevinden.§ 3. De aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen moet, onafhankelijk van de milieuvergunning, bepaald worden in overleg met de bevoegde brandweer.§ 4. De blustoestellen worden jaarlijks op hun werkzaamheid gecontroleerd door de leverancier of een bevoegde deskundige. De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het in artikel 5.32.7.5.7., § 1, sub 1° bedoelde veiligheidsdossier gevoegd worden.§ 5. Het opslaan van brandbare of ontplofbare stoffen in de schietstand is verboden.

Artikel 5.32.7.5.5. Geluid en trillingen
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. dienen de nodige maatregelen te worden getroffen om te verhinderen dat geluid of trillingen veroorzaakt binnen de schietstand een bron van ongemak zijn voor de buurt of voor aanpalende lokalen, vreemd aan de exploitatie van de schietstand.

Artikel 5.32.7.5.6. Veiligheid
§ 1.
Het is verboden wapens te laden of geladen wapens te dragen in lokalen of terreinen van de inrichting, buiten de schietstand.

§ 2. Er mag uitsluitend worden geladen, eventueel ontladen, en op doel geschoten worden vanaf de aangegeven standplaatsen voor de schutters.

§ 3. Er moeten steeds tenminste twee schutters aanwezig zijn gedurende de schietoefening.

§ 4. Op de buitenzijde van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters:
«OPGELET SCHIETSTAND - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN».

§ 5. Elke uitgang of nooduitgang moet aangegeven zijn door reglementaire pictogrammen. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de schietstand goed zichtbaar zijn. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

§ 6. De schietstand moet uitgerust zijn met tenminste één gemakkelijk te bereiken telefoontoestel.

Artikel 5.32.7.5.7. § 1. De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:
1° een veiligheidsdossier dat bevat:
a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;
b) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
c) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.
2° het interne ordereglement;
3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;

§ 2. Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

Subafdeling 5.32.7.6. Schietstanden van categorie E

Artikel 5.32.7.6.1. § 1. De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie E.

§ 2. Het is verboden in de schietstand gebruik te maken van jachtwapens alsmede van jacht- en oorlogsmunitie.

§ 3. De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

§ 4. Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

§ 5. Het gebruik van metalen kogels, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.

Artikel 5.32.7.6.2. Bouw.
§ 1.
De schietstand is ondergebracht in een lokaal, gebouwd volgens een code van goede praktijk, met wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 9 cm dik of uit materialen met een voor de toegelaten munitie voldoende projectielbestendigheid.

§ 2. Voor de vloer is het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden, of waaronder zich stof kan ophopen, verboden.

§ 3. De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende projectielvanger, zoals bedoeld in artikel 5.32.7.6.3.

§ 4. Tussen de standplaatsen voor de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.
Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.

Artikel 5.32.7.6.3. Projectielvanger.
§ 1.
De projectielvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.6.2, § 3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:
1° de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
2° het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;

§ 2. De projectielvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:
1° een rubberen of synthetisch voorhangscherm, geplaatst op 5 cm van de muur;
2° een zachte, houten wand van ten minste 2 cm dik, geplaatst op houten latten op 3 cm van de muur;
3° een gebeurlijk ander type projectielvanger die voldoet aan de voorwaarden bepaald bij § 1 en niet gemakkelijk brandbaar is.

§ 3. De projectielvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden, op zijn goede staat nagezien.

Artikel 5.32.7.6.4. Uitrusting gebouw.
§ 1.
Het is verboden wand- en plafond- en vloerbedekking uit te voeren in licht brandbare materialen, of materialen die bij brand giftige gassen afgeven.
Het gebruik van poreuze materialen is slechts toegelaten wanneer deze zelfdovend zijn (NBN S21 - 203 categorie AO). Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

§ 2. De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietzone, die werken op een spanning hoger dan 24 V, moeten op doeltreffende wijze tegen inslag van de toegelaten projectielen beschermd worden.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

§ 4. De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

§ 5. Leidingen met brandbare gassen of ontvlambare vloeistoffen moeten beschermd worden met voor de toegelaten munitie voldoende kogelbestendig materiaal.

Artikel 5.32.7.6.5. Verluchting - Luchtverontreiniging
§ 1.
De schietstand is voorzien van een mechanische verluchting, zodanig dat de schadelijke stoffen die bij het schieten in de lucht vrijkomen op een doeltreffende wijze worden verwijderd. Het ventilatiesysteem is zodanig ontworpen dat verse lucht wordt aangevoerd achter de schutters en ter hoogte van de projectielvanger wordt weggezogen. De capaciteit is zodanig dat het volume van de lucht in het lokaal minimum zes maal per uur wordt ververst.

§ 2. De nodige maatregelen worden genomen om een abnormale stofemissie te voorkomen.

§ 3. De uitlaat wordt zodanig geplaatst dat de afvalgassen zich gemakkelijk voldoende kunnen verspreiden.

Artikel 5.32.7.6.6. Veiligheid
§ 1.
Op de buitenzijde van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters:
«OPGELET SCHIETLOKAAL - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN».

§ 2. Boven elke toegangsdeur tot het schietlokaal bevindt zich langs de buitenzijde van het lokaal een rood lichtsignaal dat is aangestoken wanneer de schietstand in werking is.

Artikel 5.32.7.6.7. Inzake de bepalingen betreffende onderhoud, brandvoorkoming, geluid en trillingen, signalisatie, afval en het exploitatiedossier gelden de voorschriften van respectievelijk de artikelen 5.32.7.2.5., 5.32.7.2.6., 5.32.7.2.7., 5.32.7.2.10., 5.32.7.2.11. en 5.32.7.2.12.