Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 1 - toepassingsgebied

Inleiding

1. Toepassingsgebied
1.1.De bevoegdheden van de gewesten (jacht) en de gemeenschappen (sportschieten)
1.2. De geregionaliseerde wet op de internationale wapenhandel
1.3. Uitzonderingen voor de ordediensten
1.4. Pro memorie : andere toepasselijke regelgeving
1.5. Private veiligheid : buiten bestek
1.6. Statuut van de uitvoeringsbesluiten


Inleiding

De regelgeving met betrekking tot wat de Wapenwet (in verdere verwijzingen afgekort als WW) de “economische en individuele activiteiten met wapens” noemt, is sinds de invoering van de nieuwe wet op 8/6/06 fundamenteel gewijzigd. Er is een volledig nieuwe wet en alle oude uitvoeringsbesluiten die nog bestaan, zijn in min of meer grondige mate aangepast en enkele nieuwe uitvoeringsbesluiten werden genomen.

Het was noodzakelijk de oude omzendbrief 3630/1/8 van 30/10/95 en zijn aanvullingen te vervangen door een tekst die de vernieuwde regelgeving in haar geheel nader toelicht en praktische, bindende richtlijnen bevatte voor de overheden die zijn belast met de toepassing van die regelgeving op het terrein. Dit gebeurde met de omzendbrief van 29/10/10. Tegen deze omzendbrief werd een vernietigingsberoep ingesteld bij de Raad van State omdat sommigen meenden dat de omzendbrief een normatief karakter heeft. Wij hebben echter nooit de bedoeling gehad om nieuwe rechtsregels in te voeren door een omzendbrief. Om elke twijfel daarover weg te nemen, verkiezen we dan ook om de omzendbrief van 29 oktober 2010 te vervangen door een totaal nieuw document dat geenszins beoogt normatief te zijn doch enkel een uniforme interpretatie van de wet voorstelt om de rechtsonzekerheid weg te nemen die kan ontstaan door divergerende interpretaties bij de verschillende overheden die belast zijn met de uitvoering van de wapenwet.

Wij stellen vast dat er zowel bij particulieren als bij de diverse overheden die belast zijn met de toepassing van de wapenwet diverse interpretaties gegroeid zijn omtrent de regelgeving. Dit kan aanleiding geven tot een verschillende toepassing van de wapenwet door de verschillende overheden. Bij de totstandkoming van de wapenwet had de overheid nochtans de bedoeling om een uniforme toepassing van de wet te verzekeren. Om deze reden werd beslist om de bevoegdheden inzake vergunning te centraliseren op het niveau van de provinciegouverneurs. Artikel 36 van de wapenwet geeft aan de Federale Wapendienst de opdracht om de minister van Justitie te adviseren over het geven van richtlijnen die hij in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken aan de gouverneurs kan geven in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden krachtens deze wet; Deze bepaling beoogt een uniforme uitvoering van de wet te garanderen. De redactie van deze omzendbrief kan in dit verband worden gekaderd. Op geen enkele manier mag deze omzendbrief worden gelezen als een uitbreiding, wijziging, vervanging of schrapping van bestaande wettelijke of reglementaire bepalingen.

Deze omzendbrief beschrijft de bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen. De lezer kan via een uitgebreid voetnotenapparaat de verwijzing terugvinden naar de tekst die wordt besproken. Het citeren of herhalen van teksten van wetgeving of van regelgeving betekent niet dat de besproken bepaling door deze omzendbrief zou worden ingevoerd, of dat door deze omzendbrief zou worden beoogd om de besproken bepalingen te wijzigen, te vervangen op te heffen of om aanvullende bepalingen in te voeren.

Deze omzendbrief behandelt alle thema’s die aan bod komen in de wapenwetgeving. Hij beoogt de vaak complexe en technische regels te verduidelijken en toegankelijker te maken, zowel voor de lokale overheid als voor de burger. De bepalingen van de omzendbrief kunnen dan ook niet gelezen worden als zouden zij nieuwe rechtsregels invoeren. Waar voor de volledigheid zaken worden aangehaald die behoren tot de bevoegdheid van andere overheden (jacht, schietsport, in- en uitvoer), beperkt deze omzendbrief zich ertoe de regelgeving te citeren of te parafraseren zonder commentaar en zonder toepassingsrichtlijnen.

In vergelijking met de omzendbrief van 29/10/10 zijn enkele aanpassingen gebeurd:

  • de stijl van de tekst is nu ondubbelzinnig die van een informatieve omzendbrief, die enkel een bindende interpretatie van de wapenwet voorstelt aan de overheden belast met de toepassing van de wapenwet en die op dat vlak functioneel onder het gezag van de minister van Justitie vallen;
  • er werd rekening gehouden met de vervanging op 11/6/11 van het vernietigde KB van 16/10/08 tot regeling van het statuut van de wapenhandelaar;
  • er werden enkele materiële fouten rechtgezet en enkele punten ruimer besproken of toegelicht en er werd een nieuw hoofdstuk over historische reconstructies toegevoegd.


1. Toepassingsgebied

De Belgische regelgeving over wapens vindt zijn neerslag in verschillende teksten. Dit is deels te verklaren door de verdeling van bevoegdheden binnen onze federale staat. Zo moet men niet alleen rekening houden met de federale Wapenwet van 8/6/06 en haar uitvoeringsbesluiten, maar ook met de gewestelijke decreten over de jacht, de gemeenschapsdecreten over het sportschieten en de gewestelijke bevoegdheid op het gebied van de in-, uit- en doorvoer van wapens, die evenwel nog niet heeft geleid tot eigen decreten. Verder onderging de federale wapenwet reeds enkele tekstwijzigingen en bevatten diverse uitvoeringsbesluiten regels die noodzakelijk zijn voor haar toepassing, hetgeen eveneens heeft bijgedragen tot de versnippering.

Voor de toepassing op het terrein van onze regelgeving minder relevant, maar als gemeenschappelijke basis van de betrokken wetten van de andere lidstaten van de Europese Unie een belangrijke rechtsbron is tot slot de Europese Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18/6/91 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (gewijzigd door de Europese Richtlijn 2008/51/EG van 21/5/08), waarnaar verder kort wordt verwezen als « Richtlijn 91/477/EEG ».


1.1. De bevoegdheden van de gewesten (jacht) en de gemeenschappen (sportschieten)

Sinds de staatshervorming van 1980 zijn de gewesten en de gemeenschappen van ons land bevoegd voor respectievelijk de jacht en de sport (in alle gemeenschappen bestaan er erkende schietsportfederaties). Dit betekent dat de federale wet zich niet mag uitspreken over de voorwaarden waaronder de jacht en de schietsport mogen beoefend worden. De federale wet beperkt zich tot het indelen van de wapens in categorieën en ze verbindt aan elke categorie de modaliteiten voor het uitoefenen van economische en individuele activiteiten met die wapens. Concreet bepaalt de Wapenwet wie wapens mag verhandelen, verzamelen, bezitten, vervoeren en dragen, evenals wie een schietstand mag uitbaten, en de voorwaarden waaraan dit alles is gebonden. De gewesten en de gemeenschappen van hun kant, hebben in hun decreten en uitvoeringsbesluiten bepaald wie mag jagen en sportschieten, en onder welke voorwaarden dit mag.

Het raakpunt van de federale met de gewestelijke, resp. gemeenschapsbevoegdheden ligt waar artikel 12 WW een gunstregime toekent aan jagers en sportschutters. Omdat de jagers en de sportschutters hun statuut pas kunnen verkrijgen na controle van hun antecedenten en hun theoretische en praktische kennis, heeft de wetgever ervoor gekozen hen niet te verplichten de vergunningsprocedure te doorlopen telkens als ze een vergunningsplichtig wapen voor de jacht of de schietsport willen kopen. Hun jachtverlof of sportschutterslicentie geldt dan als vergunning voor het voorhanden hebben van wapens die ontworpen zijn voor hun activiteit. Zeker voor de sportschutters, die een grote verscheidenheid aan schietdisciplines kennen waarbij allerlei wapens, ook zware, worden gebruikt, reikt dit gunstregime echter niet zover dat ze alle wapens vrij mogen verwerven. De Europese Richtlijn 91/477/EEG (zie verder), zoals deze meer bepaald in Belgisch recht geïmplementeerd werd door artikel 12 WW en het MB van 15/03/07, verzet zich hiertegen.

Het is belangrijk te weten dat de toepassing van de jachtdecreten plaatsgebonden is. Wie wenst te jagen, moet in het bezit zijn van een jachtverlof afgegeven door de bevoegde overheden van de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Een Vlaming die wil jagen in het Waals gewest, moet dus een Waals jachtverlof hebben (hierop bestaan echter uitzonderingen).

Sport(schieten) is dan weer een persoonsgebonden materie. De Vlaamse sportschutter zal met zijn Vlaamse sportschutterslicentie, afgegeven door de schietsportfederatie waarvan hij lid is, ook kunnen deelnemen aan een wedstrijd georganiseerd door een Waalse schietsportfederatie (ook hier bestaan bijzondere regelingen).

Momenteel (midden 2011) zijn de volgende teksten van kracht (allemaal terug te vinden op de website van de FOD Justitie www.just.fgov.be onder « Belgische wetgeving ») :

  • het Vlaams jachtdecreet van 24/7/91;
  • het besluit van 28/10/87 van de Vlaamse Executieve betreffende het gebruik van vuurwapens en munitie bij de jacht in het Vlaamse Gewest;
  • het decreet van het Waals gewest van 14/7/94 tot wijziging van de jachtwet van 28/2/1882 (de oude jachtwet is er nog deels van toepassing);
  • het besluit van 22/9/05 van de Waalse Regering houdende regeling van het gebruik van vuurwapens en munitie met het oog op het uitoefenen van de jacht, alsmede van enkele jachtprocessen of -technieken;
  • het Vlaams decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de sportschutter;
  • het besluit van de Vlaamse Regering van 1/6/07 houdende de uitvoering van het decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de sportschutter;
  • het decreet van de Franse gemeenschap van 24/11/06 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter;
  • het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 30/3/07 tot vaststelling van de lijst van de schietsportdisciplines;
  • het besluit van 30/3/07 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de nadere regels voor de organisatie, de inhoud, de evaluatie en de gelijkwaardigheid van de theoretische en praktische proeven waarvoor geslaagd moet worden voor het bekomen van de vergunning van sportschutter;
  • het besluit van 30/3/07 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het model van vergunning van sportschutter;
  • het besluit van 11/4/08 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het model van het verslag bedoeld in artikel 7 van het decreet van 24 november 2006 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter;
  • het decreet van de Duitstalige gemeenschap van 20/11/06 over het statuut van de sportschutters;
  • het besluit van de Regering van de Duitstalige gemeenschap van 23/5/07 tot uitvoering van het decreet van 20/11/06 over het statuut van de sportschutters.

Te noteren valt dat de teksten die dateren van voor de Wapenwet (8/6/06) nog de terminologie van de oude wetgeving gebruiken, bijvoorbeeld de oude benaming van de diverse categorieën wapens. Die achterhaalde terminologie moet uiteraard worden gelezen met respect voor de nieuwe regelgeving!


1.2. De geregionaliseerde wet op de internationale wapenhandel

In 2003 werden de gewesten bevoegd voor nog een ander aspect van de wapenproblematiek, met name de in-, uit- en doorvoer (uitgezonderd voor leger en politie). Voorheen was dit, net zoals dit voor andere goederen het geval is gebleven, een federale bevoegdheid. Omdat de gewesten nog geen eigen decreten hebben aangenomen, passen ze nog steeds de oude federale regelgeving toe : de wet van 5/8/91 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, en haar uitvoeringsbesluiten.

Zoals de titel aangeeft, is het toepassingsgebied van die wet heel wat ruimer dan dat van de hier besproken Wapenwet. Ze bestrijkt alle wapens die onder de Wapenwet vallen, maar daarnaast ook zwaar militair materieel, onderdelen daarvoor, elektronica, software, chemische substanties, materiaal voor ordehandhaving (zoals kogelwerende vesten, helmen, schilden en handboeien, die in tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, niet onder de Wapenwet vallen!), en wat men « materiaal voor dubbel gebruik » noemt (dit zijn op zich onschuldige goederen die een militaire bestemming krijgen of hebben gehad).
Naar gelang van de vestigingsplaats van de in-, uit- of doorvoerder geeft het betrokken gewest in-, uit- en doorvoerlicenties af. Dit zijn vaak grote gespecialiseerde bedrijven, die alleen als ze wapens in de zin van de Wapenwet produceren of verhandelen als wapenhandelaar of tussenpersoon moeten zijn erkend in overeenstemming met de Wapenwet. Maar ook de gewone particulier die een wapen aankoopt in het buitenland of zijn wapen daar wenst te verkopen, valt onder deze wetgeving.

Binnen de Benelux zijn er dan weer geen in-, uit- of doorvoerlicenties vereist.

Een bijzonderheid van de regelgeving op het vlak van uit- en doorvoer (niet van invoer!) is de onmogelijkheid de nodige licenties aan te vragen bij de gewestelijke overheden, als men niet een voorafgaande vergunning heeft verkregen. Die wordt door de Federale Wapendienst namens de minister van Justitie afgegeven. Ook particulieren moeten die aanvragen. Een uitzondering wordt in de praktijk wel gemaakt voor de particulier die naar het buitenland verhuist en zijn wapen meeneemt. Toelichting dienaangaande en het verplichte aanvraagformulier zijn terug te vinden op de voornoemde website van de FOD Justitie (rubriek 'justitie van a tot z', trefwoord 'wapens').

Verderop (punten 9.2.1 en 14.4) wordt ingegaan op twee aspecten van de in- en uitvoerregeling die van belang zijn binnen dit bestek : het reizen met wapens binnen de EU en het aankopen van een wapen in een andere EU-lidstaat.


1.3. Uitzonderingen voor de ordediensten

De Wapenwet is niet van toepassing op de dienstwapens van de ordediensten, die worden opgesomd in het KB van 26/6/02 betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht (1). Het gaat over :
1° de krijgsmacht;
2° het operationeel kader van de politiediensten;
3° bepaalde leden van het administratief en logistiek kader van de politiediensten;
4° de politieambtenaren van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie;
5° de hoofden en de leden van de Diensten Enquêtes van de Vaste Comités van toezicht op de politiediensten en op de inlichtingendiensten;
6° de agenten van de Administratie van douane en accijnzen;
7° de buitendiensten van het Directoraat-Generaal Strafinrichtingen;
8° de buitendiensten van het Bestuur Veiligheid van de Staat;
9° de daartoe aangestelde personeelsleden van het Agentschap voor Natuur en Bos binnen het Vlaamse ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie;
10° de ambtenaren van het bosbeheer van het « Département de la Nature et des Forêts », alsook de ambtenaren van het « Département de la police et des contrôles de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement » van de Waalse overheidsdienst;
11° de ingenieurs en adjuncten van de Bosdienst van de Afdeling Natuur, Water en Bos van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
12° de inspecteurs van de Dienst Beveiliging van de Luchtvaart- en Luchthaveninspectie;
13° de politiediensten van een lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig een bilateraal of multilateraal akkoord van politiesamenwerking of een maatregel die genomen is in het kader van titel VI van het Verdrag over de Europese Unie, waarin bepaald wordt dat deze politieambtenaren bepaalde politieopdrachten uitvoeren in België waarbij zij wapens dragen;
14° de veiligheidsbeambten van het veiligheidskorps van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Het feit dat een overheidsdienst is opgenomen in de bovenstaande lijst houdt niet in dat de betrokken ambtenaren volledige vrijheid genieten. De uitzondering kan slechts worden toegepast in de mate dat voor elke betrokken dienst een uitvoeringsbesluit werd waarin wordt bepaald welke wapens door welke ambtenaren als dienstwapens mogen worden gebruikt, hoe ze dienen te worden verworven, bewaard, vervoerd, gebruikt, enz…

Uit wat voorafgaat en uit de overige bepalingen van de wapenwet kan worden afgeleid dat het Het voorhanden mogen hebben van een dienstwapen zeker niet betekent dat de betrokken ambtenaren het recht zouden hebben dat dienstwapen ook buiten de dienst voorhanden te hebben, laat staan het te gebruiken voor privédoeleinden. Over dit onderwerp bestaan bijzondere richtlijnen van de minister van Binnenlandse Zaken. In elk geval zijn ook de gewapende leden van de ordediensten als privépersoon onderworpen aan alle gewone regels die gelden voor de burger (2).

Verderop wordt besproken (punt 3.1.4) onder welke voorwaarden bepaalde wapens niet verboden zijn voor de ordediensten en hoe ze die kunnen verwerven, voorhanden hebben, enz.


1.4. Pro memorie : andere toepasselijke regelgeving

Het is opportuun om er op deze plaats aan te herinneren dat wapenhandelaars en particuliere wapenbezitters niet alleen de regelgeving over wapens moeten naleven.

In geval van opslag van grote hoeveelheden munitie kan de wetgeving over springstoffen ook van toepassing zijn (de wet van 28/5/56 betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen, en haar voornaamste uitvoeringsbesluit van 23/9/58 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen). Hiervoor is de Dienst Reglementering Springstoffen en Gas bij de FOD Economische Zaken verantwoordelijk.

Daarnaast is de gewestelijke milieureglementering van toepassing op wapenhandelaars en -fabrikanten, net als op schietstanden. Wapenhandelaars dienen met name, naast bijvoorbeeld de sociale, fiscale en de milieureglementering, ook de wetgeving over de handelspraktijken te eerbiedigen.

Bezoekers van schietstanden en openluchtmanifestaties waar vuurwapens worden gebruikt, en vooral deelnemers aan « oorlogsspellen » met paintballmarkers of airsoftwapens moeten opletten dat ze geen daden stellen die strafbaar worden gesteld door de wet van 29/7/34 waarbij de private milities verboden worden. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn als de activiteiten een politiek doel nastreven. Activiteiten georganiseerd in het kader van de door de gemeenschapsoverheden erkende sporten vallen nooit onder de wet op de private milities(3).


1.5. Private veiligheid : buiten bestek

Een aparte categorie van wapenbezitters wordt gevormd door de bewakingsagenten die met toepassing van de wet van 10/4/90 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid het recht hebben tijdens de uitoefening van hun beroep wapens voorhanden te hebben.
Omdat zijzelf en hun werkgevers al moeten vergund of erkend worden door de Minister van Binnenlandse Zaken en ze voor het voorhanden hebben en dragen van wapens een bijzondere toestemming van hem nodig hebben, heeft de Wapenwet (4) ook de afgifte van de vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens en wapendrachtvergunningen aan bewakingsagenten gecentraliseerd bij de bevoegde directie private veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken.

Deze omzendbrief is niet op hen van toepassing, maar kan wel als aanvullende toelichting worden gebruikt door de bevoegde diensten (5).


1.6. Statuut van de uitvoeringsbesluiten

De belangrijkste uitvoeringsbesluiten van de oude wapenwet van 1933 waren veel recenter dan die wet en waren zelf niet aan een fundamentele herziening toe op het moment dat de nieuwe Wapenwet in 2006 in werking trad. Daarom werd ervoor gekozen ze waar mogelijk van kracht te laten (6) en alleen over te gaan tot de noodzakelijke aanpassingen (eerst vooral terminologisch, later vooral inhoudelijk) om ze te doen overeenstemmen met de tekst en de geest van de nieuwe wet. Soms was het mogelijk de uitvoering van nieuwe wetsbepalingen te integreren in een bestaand besluit. Midden 2011 zijn de volgende besluiten nog van kracht (en volledig aangepast) :

  • het KB van 26/6/02 betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht;
  • het KB van 13/7/2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden;
  • het KB van 1/3/98 betreffende de indeling in categorieën van sommige seinpistolen, sommige slachttoestellen, sommige verdovingswapens;
  • het KB van 24/4/97 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie;
  • het KB van 27/2/97 betreffende de indeling van de munitie van kaliber 5.7 x 28 mm;
  • het KB van 18/11/96 tot indeling van sommige alarmwapens bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens;
  • het KB van 30/3/95 tot indeling van sommige gas- en luchtwapens;
  • het KB van 8/8/94 betreffende de Europese Vuurwapenpassen;
  • het KB van 20/9/91 tot uitvoering van de Wapenwet;
  • het KB van 20/9/91 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt.

Een reeks van overbodig geworden oude uitvoeringsbesluiten werd uitdrukkelijk opgeheven.

Tevens werd een aantal nieuwe autonome besluiten genomen om te voorzien in de uitvoering van nieuwe wetsbepalingen. Midden 2011 betreft het de volgende teksten :

  • het KB van 29/12/06 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, waarvan de eerste artikelen autonome bepalingen zijn;
  • het MB van 15/3/07 tot bepaling van de lijst van vuurwapens ontworpen voor het sportschieten, waarvoor houders van een sportschutterslicentie vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht;
  • het MB van 11/6/11 houdende erkenning van de artsen bevoegd voor het afgeven van een attest bedoeld in artikel 14 van de wapenwet;
Verwijzingen


(1) art. 27, §1 WW
(2) Uit artikel 27, §1 WW kan worden afgeleid dat de uitzondering ten behoeve van diensten van het openbaar gezag functioneel beperkt is tot het voorhanden hebben van wapens in het kader van het uitoefenen van dit gezag. Indien bijvoorbeeld politieagenten in hun vrije tijd hun wapen gebruiken, moeten zij dit doen in een erkende schietstand en niet in de schietstand van de politie. Cf. Ministeriële omzendbrief GPI 37 van 9/4/03 betreffende de sportactiviteiten in de politiediensten (M.B. 30/4/03). Zie hierover ook punt 3.1.4.
(3) Artikel 1bis van de wet van 29 juli 1934 waarbij private milities verboden worden, zoals gewijzigd door artikel 43 WW.
(4) Artikel 41 WW.
(5) Soms is het moeilijk te bepalen wie bevoegd is. Zo is Binnenlandse Zaken bevoegd wanneer er sprake is van « waardetransport », d.i. bewaking of bescherming van de waarden die men laat vervoeren door een bewakingsfirma. De gouverneur is daarentegen bevoegd wanneer er sprake is van transport van waardemiddelen zonder bewaking of bescherming.
(6)Artikel 48, 1ste lid WW