Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 9 - Wapenbezit door particulieren : algemene regels 9.1.1.-9.1.9


9. Wapenbezit door particulieren : algemene regels

9.1. Vergunningsprocedure


9.1. Vergunningsprocedure

Artikel 11 van de wapenwet stelt dat het particulieren verboden is om een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben zonder over een voorafgaande vergunning van de gouverneur van de verblijfplaats te beschikken. De vergunning dient dus het wapenbezit vooraf te gaan.


9.1.1. Bevoegdheid

De vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie wordt afgegeven door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats (217) van de verzoeker (218). Het betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs worden geacht de wet op dezelfde manier, zoals beschreven in deze omzendbrief, toe te passen.

Als de verzoeker in België geen verblijfplaats heeft, wordt de vergunning verleend door de Staatsveiligheid (219). In voorkomend geval bezorgt de Staatsveiligheid een kopie van de afgeleverde vergunningen aan de gouverneur van de vroegere verblijfplaats van de betrokkene.

Als de verzoeker verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie mag de vergunning niet worden verleend zonder voorafgaand akkoord van die lidstaat. Als de vergunning wordt verleend, wordt die staat daarvan op de hoogte gebracht (220).


9.1.2. Ontvankelijkheid

Volgende aanvragen zijn onontvankelijk :

  • de aanvrager is minderjarig;
  • de aanvrager is veroordeeld als dader of medeplichtige wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4° WW (221);
  • de aanvrager is het voorwerp geweest van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1990 betreffende de persoon van de geesteszieke;
  • de aanvrager is geïnterneerd geweest met toepassing van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten;
  • de aanvrager legt geen medisch attest voor dat bevestigt dat hij in staat is een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen;
  • de aanvrager woont samen met een meerderjarig persoon die zich verzet tegen de aanvraag;
  • de aanvrager geeft geen wettige reden op zoals voorzien in artikel 11, § 3, 9° WW (als wel een reden wordt opgegeven, maar de reden kan niet gestaafd worden (bv. wettige verdediging zonder dat aan de voorwaarden is voldaan), is de aanvraag ongegrond).
  • te late aanvragen in de zin van art. 44, 45 en 48 WW behoren hier eveneens toe in de mate het vereiste wettig belang bij de aanvraag ontbreekt (zie ook punt 3.5 en de aldaar gemaakte nuance).

De niet-betaling van de verschuldigde retributie leidt niet tot de onontvankelijkheid; ze belet wel dat er een aanvang wordt gemaakt met de behandeling van de aanvraag.


9.1.3. Onderzoek

De aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen moet de volgende vermeldingen bevatten : (222)
1° de identificatie van de aanvrager : naam, voornamen, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte. Indien het een rechtspersoon betreft, de firma of de naam van de vennootschap, de zetel van de vennootschap, de identiteit van de zaakvoerder, van de voorzitter of van de gedelegeerd bestuurder;
2° de beschrijving van het wapen waarop de aanvraag betrekking heeft : aard, kaliber, model en type;
3° de vermelding dat het wapen in België zal worden aangekocht of zal worden ingevoerd;
4° het adres waar het wapen over het algemeen voorhanden zal worden gehouden;
5° de redenen van de aanvraag;
6° het medisch attest.

Als een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen wordt aangevraagd door een rechtspersoon (b.v. een schietclub die wapens ter beschikking stelt van zijn leden), is het belangrijk dat een natuurlijk persoon wordt aangeduid, die verantwoordelijk zal zijn voor de bewaring en de terbeschikkingstelling van het wapen.

Bijlage 4 bevat een voorbeeld van aanvraagformulier van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen.

Enkel als de aanvraag volledig en ontvankelijk is, wordt door de gouverneur verder onderzocht of men voldoet aan alle wettelijke vereisten. Indien nodig worden bijkomende stukken bij de aanvrager opgevraagd.


9.1.4. Termijn

De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om een vergunning binnen vier maanden na de ontvangst ervan (223). De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het dossier van de aanvrager volledig is. Het dossier is volledig als alle onder punt 9.1.3. opgesomde stukken worden voorgelegd.

De termijn kan, op straffe van nietigheid, alleen worden verlengd bij gemotiveerde beslissing (224). De beslissing dient op te geven om welke redenen de beslissing niet binnen de wettelijke termijn kan worden genomen. De aangehaalde omstandigheden kunnen betrekking hebben op het niet kunnen voldoen aan alle wettelijke vereisten binnen de wettelijke termijn. Beslissingen die laattijdig worden genomen, zijn dus nietig. Het proactief verlengen van de termijn is niet aanvaardbaar.

B.v. het uitblijven van een advies van de lokale politie is een geldige reden om de termijn te verlengen, net als de ontoereikende personeelsbezetting van de betrokken dienst.
B.v. het verlengen van de termijn twee maanden voor ze verstrijkt omdat nog een eenvoudige inlichting moet worden aangeleverd door de belanghebbende is niet behoorlijk gemotiveerd indien redelijkerwijze verwacht kan worden dat de belanghebbende snel de inlichting kan geven.

De verlenging kan per aanvraag slechts eenmaal worden toegestaan en de duur ervan mag uiterlijk zes maanden bedragen (225).


9.1.5. Advies van de lokale politie

De korpschef van de lokale politie van de verblijfplaats van de aanvrager moet een met redenen omkleed advies verstrekken waarvoor hij over een termijn van drie maanden na de aanvraag beschikt (226). Dit advies heeft betrekking op de algemene moraliteit van de aanvrager, alsook op de volgende punten :

  • het meerderjarig zijn (minstens 18 jaar oud);
  • het niet veroordeeld zijn als dader of medeplichtige wegens een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4° van de wapenwet (227);
  • geen geesteszieke zijn als bedoeld in artikel 11, § 3, 3° en 4° WW;
  • niet het voorwerp zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp geweest zijn van een intrekking van de vergunning met nog actuele redenen. Dit houdt onder andere in dat de persoon wiens vergunning is ingetrokken, deze niet opnieuw kan aanvragen alvorens de redenen die tot deze intrekking hebben geleid, zijn verdwenen;
  • een medisch attest voorleggen (228);
  • het slagen voor de theoretische en praktische proef (229);
  • de afwezigheid van enig verzet tegen de aanvraag vanwege meerderjarige personen die samenwonen met de aanvrager (230);
  • een wettige reden opgeven voor de verwerving en het voorhanden hebben van het betrokken wapen en munitie (231).

Het onderzoek door de lokale politie houdt op objectieve wijze rekening met de karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvrager, inzonderheid met eventuele gerechtelijke antecedenten of met geweldplegingen in het gezin of elders, met zijn geestesgesteldheid en zijn zedelijkheid, alsook met een eventuele gewelddadige politieke activiteit. Het is bijvoorbeeld moeilijk denkbaar dat een vergunning wordt uitgereikt aan een persoon die psychisch onevenwichtig is of die geconfronteerd is met sterke echtelijke conflicten, of die zich regelmatig in dronken toestand bevindt.

In dit verband kan ook verwezen worden naar artikel 5 van Richtlijn 91/477/EEG dat stelt dat de aankoop en het voorhanden hebben van vuurwapens voorbehouden moet zijn aan personen die geen gevaar doen ontstaan, noch voor zichzelf, noch voor de openbare orde of veiligheid.

Er dient ook rekening te worden gehouden met eventuele andere vuurwapens die door de aanvrager of zijn samenwonenden voorhanden worden gehouden. Meer bepaald dient te worden nagegaan of de veiligheidsvoorwaarden bij het voorhanden hebben en tentoonstellen op de verblijfplaats, en het vervoeren van vergunningsplichtige wapens of munitie ervoor door particulieren (232) worden nageleefd.

De gouverneur kan niet beslissen over de aanvraag zonder het advies van de korpschef van de lokale politie (233). Opdat de gouverneur met kennis van zaken een beslissing zou kunnen nemen en deze adequaat kan motiveren, is het noodzakelijk dat de korpschef zijn advies in elk geval (negatief maar ook positief) met aandacht en precisie voldoende motiveert en onderbouwt. Het advies is evenwel niet bindend en de gouverneur mag ervan afwijken bij gemotiveerde beslissing.


9.1.6. Het medisch attest

Het medisch attest moet bevestigen dat de aanvrager in staat is om een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen. Het betreft een attest van lichamelijke en geestelijke geschiktheid dat vast en zeker niet mag worden afgegeven aan een persoon wiens alcoholisme, depressie of agressiviteit bij de arts bekend zijn. Dit attest kan worden afgegeven door de behandelende arts (bv. de huisarts) en is analoog aan hetgeen vaak vereist is om te kunnen worden verzekerd bij de uitoefening van een sport.
Het attest moet dateren van maximaal 3 maanden voor de indiening van de aanvraag. Enkel een recent medisch attest kan immers toelaten te oordelen over de actuele gezondheidstoestand van de aanvrager.

Vrijstellingen :

  • Houders van een sportschutterslicentie zijn vrijgesteld van de verplichting tot het voorleggen van een medisch attest (234).
  • De aanvrager die een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen aanvraagt met als wettige reden « de intentie een verzameling historische wapens op te bouwen » of « de deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten » wordt eveneens vrijgesteld van dit medisch attest (235).
  • Hetzelfde geldt voor de zogenaamd passief wapenbezitter (236).


9.1.7. De theoretische en de praktische proef

De theoretische proef

De theoretische proef wordt steeds door de lokale politie georganiseerd op verzoek van de gouverneur of van de betrokkene zelf. Er bestaat geen vrije keuze welke politiedienst deze proef afneemt.

De gouverneur verzoekt de korpschef van de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager eerst om na te gaan of de aanvrager al dan niet is vrijgesteld van de proef betreffende de kennis van de toepasselijke regelgeving en het hanteren van een vuurwapen.

De theoretische proef kan meerdere keren worden afgelegd. Als de kandidaat niet slaagt, mag hij echter pas opnieuw deelnemen nadat een termijn van een maand is verstreken.

De theoretische proef gaat na of de aanvrager de regeling inzake het voorhanden hebben, het dragen, het vervoeren en het gebruik van het wapen waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, alsook inzake de aankoop van munitie voor dat wapen kent (237).

De controle beperkt zich tot het stellen van gerichte mondelinge of schriftelijke vragen waarvan de moeilijkheidsgraad niet te groot mag zijn en voor iedere aanvrager van hetzelfde niveau.

Bijlage 3 bevat een overzicht van mogelijke vragen voor de theoretische proef en hun antwoorden.

De politiediensten mogen deze lijst gebruiken voor de afname van de theoretische proef. De lijst mag vooraf aan de kandidaat worden bezorgd. Aan elke kandidaat moeten 10 vragen gesteld worden. Bij de selectie van de vragen wordt rekening gehouden met de ingeroepen wettige reden. De laatste vraag met betrekking tot de wettige verdediging moet altijd worden gesteld en correct worden beantwoord.

De theoretische proef mag mondeling of schriftelijk worden afgenomen. De antwoorden moeten alle sleutelelementen bevatten die zijn opgenomen in de type-antwoorden (andere formulering of ruimere antwoorden worden geaccepteerd). Men is geslaagd bij 7 juiste antwoorden.

Van de vragen en antwoorden wordt een schriftelijk verslag opgesteld.

Als de gouverneur vaststelt dat de kandidaat geslaagd is, maar zich niet in staat acht onmiddellijk deel te nemen aan de praktische proef, zal hij hem een attest van slagen afgeven (dat in de plaats komt van de afgeschafte voorlopige vergunning). De gouverneur gaat vervolgens na of hij de praktische proef moet ondergaan of hiervan is vrijgesteld. In het eerste geval verwijst de gouverneur hem door naar een organisator van de praktische proef (238). Wie geslaagd is voor de theoretische proef en onmiddellijk wil deelnemen aan de praktische proef, wordt direct doorverwezen door de politie.

Vrijstellingen :

  • De houders van een jachtverlof of een sportschutterslicentie zijn vrijgesteld van de theoretische proef (239). Voor houders van een sportschutterslicentie geldt dit slechts voor zover hun aanvraag betrekking heeft op een wapen van hetzelfde type als een wapen waarvoor ze reeds een praktische proef hebben afgelegd in het raam van de verkrijging van hun licentie.
  • Dit geldt tevens voor zij die een wapenvergunning aanvragen onder de regeling van het passief wapenbezit (241).
  • De aanvrager die reeds eerder het theoretisch gedeelte van deze proef met succes heeft afgelegd, is hiervan vrijgesteld. Hij dient de proef evenwel alsnog af te leggen indien er na het afleggen van de vorige proef een tijdspanne van twee jaar verstreken is (241).
  • De praktische proef
    De aanvrager legt de praktische proef af bij :

    • hetzij een politiedienst of een erkende politieschool, waarbij er vrije keuze bestaat voor de aanvrager,
    • hetzij bij de verantwoordelijken die worden aangewezen door de schietsportfederaties die zijn erkend door de gemeenschapsoverheden bevoegd voor sport (242). Het betreft meer bepaald de in punt 12.1 genoemde federaties. Bij twijfel kan de lijst van erkende examinatoren bij de federaties worden opgevraagd (243).

    Schietmonitoren aangeduid door individuele schietclubs komen hiervoor niet in aanmerking.

    De aanvrager die een praktische proef moet afleggen, doet dit met een vuurwapen van het type waarvoor hij de vergunning aanvraagt. Het betreft meer bepaald de volgende types : (244)

    • de revolvers,
    • de pistolen
    • - de schoudervuurwapens,
    • de vuurwapens op buskruit (« zwart kruit »).

    De praktische proef heeft betrekking op het veilig uitvoeren van de volgende handelingen :

    • laden, ontladen, wapenen, ontwapenen, schieten en beperkt demonteren van het wapen, gewoonlijk « velduiteenname » genoemd,
    • dragen, hanteren en gebruiken van het wapen in een schietstand,
    • de richtapparatuur gebruiken, de terugslag en de schietrichting beheersen.

    Voor het afleggen van deze proef mag de aanvrager zonder vergunning een wapen hanteren en afvuren (245).

    Een attest met het resultaat van de proef wordt meegedeeld aan de aanvrager en aan de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats (246).

    Als de aanvrager meent dat hij nog niet over voldoende ervaring beschikt om te slagen voor de praktische proef of als hij er niet voor is geslaagd, wordt de procedure opgeschort voor een periode van een jaar, tenzij de aanvrager binnen die termijn slaagt voor de praktische proef. Als hij van de gouverneur een attest ontvangt dat hij voldoet aan alle andere wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning, dan mag hij zich gedurende deze periode voorbereiden op de praktische proef in een erkende schietstand. Dit moet gebeuren met een wapen en munitie die hem uitsluitend met dit doel ter plaatse ter beschikking worden gesteld door de uitbater, de houder van de vergunning tot het voorhanden hebben ervan, of de houder van een sportschutterslicentie. Op het einde van deze periode moet de aanvrager slagen voor de praktische proef, zoniet wordt de vergunning geweigerd (247).

    Vrijstellingen :

    • De aanvrager is vrijgesteld van het praktische gedeelte van de proef als :
      1° hij bewijst dat hij in de loop van de laatste vijf jaar gedurende minstens zes maanden een geregelde professionele of sportieve activiteit uitoefent of heeft uitgeoefend, waarvoor hij een vuurwapen van het type vergelijkbaar met dat waarvoor hij de vergunning aanvraagt, voorhanden had of droeg; (248)
      2° hij een vergunning tot het voorhanden hebben van een niet-vuurwapen vraagt dat krachtens de wapenwet vergunningsplichtig is; (249)
      3° hij zijn verblijfplaats in het buitenland heeft (250).
    • Hij die reeds houder is van een attest volgens hetwelk hij is geslaagd voor een praktische proef met een vuurwapen van hetzelfde type als dat waarvoor hij een aanvraag heeft gedaan, is eveneens vrijgesteld van de praktische proef (251).
    • Verder zijn ook vrijgesteld van de praktische proef :
      • houders van een geldig jachtverlof voor zover hun aanvraag betrekking heeft op een lang vuurwapen daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is (252);
      • houders van een geldige sportschutterslicentie voor zover hun aanvraag betrekking heeft op een wapen van hetzelfde type als een wapen waarvoor ze reeds een praktische proef hebben afgelegd in het raam van de verkrijging van hun licentie (253);
    • Ook de aanvrager van een vergunning met als motief « intentie een verzameling op te starten » is vrijgesteld;
    • Tenslotte is ook de aanvrager van een wapenvergunning als passief wapenbezitter vrijgesteld van de praktische proef (254).
    • De vrijstelling voor de praktische proef kan enkel vastgesteld worden door de gouverneur. De aanvrager die zich op een vrijstelling beroept, moet daarvan zelf het bewijs leveren.


    9.1.8. De instemming van de gezinsleden

    Ofwel moeten alle meerderjarige personen die samenwonen met de aanvrager hun schriftelijke toestemming geven bij de indiening van de aanvraag en gaat de lokale politie na of alle bedoelde personen daadwerkelijk hun toestemming hebben gegeven, ofwel zal de lokale politie hen ondervragen.


    9.1.9. De wettige reden

    De aanvrager moet op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag een wettige reden opgeven voor het verwerven en het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen (255).

    Indien een wettige reden wordt opgegeven, is de aanvraag ontvankelijk. Als echter het type wapen niet overeenstemt met de reden waarvoor het gevraagd wordt (het moet m.a.w. nuttig zijn in dit kader), is de aanvraag ongegrond (256).

    Als een aanvraag wordt ingediend met meerdere redenen, kunnen deze - indien aanvaard - allen worden vermeld op de vergunning.

    Vrijstellingen :
    Enkel de aanvrager van een wapenvergunning als passief wapenbezitter is vrijgesteld van de verplichting om een wettige reden op te geven (257).

    De wet (258) somt op exhaustieve wijze de volgende mogelijke redenen op :

    1. De jacht en faunabeheersactiviteiten

    Hiervoor moet een geldig jachtverlof of een officiële aanstelling als bijzonder wachter worden voorgelegd en mag het wapen uitsluitend voor deze reden of voor het kleischieten worden gebruikt (259).

    2. Het sportief en recreatief schieten

    Hiervoor moet een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten worden voorgelegd en moet het wapen uitsluitend voor dit doel worden gebruikt (260).

    Het recreatief schieten moet van het sportief schieten onderscheiden worden.

    Sportschieten
    Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen artikel 11 en 12, 2° van de wapenwet (261). Een sportschutter die in het bezit is van een sportschutterslicentie en die de schietsport wenst te beoefenen met een vuurwapen dat niet voorkomt op de lijst van het MB van 15/03/07 (262), kan het sportschieten als wettige reden opgeven bij de aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van dat wapen.

    De definitie van het begrip "sportschieten" alsook de rechten en plichten van de sportschutters zijn verschillend in de drie gemeenschappen. Er dient dus rekening te worden gehouden met de regels van toepassing in elk van de Gemeenschappen (263). Steeds is een sportschutterslicentie vereist voor het beoefenen van de schietsportdisciplines binnen het kader van de federaties. De invulling van het begrip "sportschieten" verschilt per gemeenschap. De Franse Gemeenschap stelde een lijst op met alle disciplines die niet mogen worden beoefend zonder sportschutterslicentie. In de Vlaamse gemeenschap geldt dat sportschieten alle sportdisciplines omvat die worden aangeboden door de gemachtigde schietsportfederaties en/of door de internationale schietsportfederaties (264). Ook voorbereiding en trainingen op deze activiteiten wordt als sportschieten beschouwd. Het is dus niet steeds vereist dat het schieten in competitieverband gebeurt. De gemeenschapsdecreten laten toe om op een recreatieve manier aan sportschieten te doen, buiten het kader van de geregelde competitiesport.

    De wettige reden "sportschieten" moet dus worden aangetoond met een geldige sportschutterslicentie die geldig is voor een wapencategorie die overeenstemt met het type wapen waarvoor de vergunning werd aangevraagd. Het volstaat dat de aanvrager aantoont dat hij met het betrokken wapen mag deelnemen aan schietsportactiviteiten. Het zijn de schietsportfederaties en uiteindelijk de gemeenschapsoverheden die bepalen welke wapens dit zijn.

    Recreatief schieten
    Recreatief schieten is het schieten buiten het door de gemeenschappen georganiseerde kader van het sportschieten. Deze wettige reden kan dus niet worden aangetoond aan de hand van een sportschutterslicentie. Recreatief schutters wensen zich niet te onderwerpen aan de regels die voor sportschutters van toepassing zijn. Zij vallen ook niet onder de controle van de gemachtigde schietsportfederaties zoals georganiseerd door de gemeenschappen. De reden hiervoor kan zijn dat deze recreatieschutters niet aan alle voorwaarden van actief lidmaatschap wensen te voldoen. Een aanvraag van een recreatieschutter dient dan ook mee vanuit deze achtergrond te worden bekeken.

    De aanvrager die als wettige reden het "recreatief schieten" inroept, moet bewijzen dat hij vroeger heeft deelgenomen aan dergelijke activiteiten (bv. aan de hand van de registers die worden bijgehouden in de schietclub, of een boekje waarin de schietbeurten worden genoteerd, een bewijs van lidmaatschap van de schietstand samen met een bewijs van regelmaat van de schietstand met vermelding van de soorten wapens waarmee daar kan worden geschoten ... ). Ook hier moet het bewijs in overeenstemming zijn met de categorie van wapens waarvoor de vergunning werd aangevraagd.

    In het verleden bestond soms twijfel over de vraag hoeveel keer per jaar een recreatie schutter moet deelnemen aan schietactiviteiten vooraleer er sprake kan zijn van “regelmaat”. De wet noch de uitvoeringsbesluiten bepalen wanneer er sprake is van voldoende regelmaat. Wij zijn van oordeel dat deelname aan tien activiteiten per jaar voldoende is om de regelmaat aan te tonen. Vermits echter in het verleden door de diensten afwijkende standpunten werden ingenomen, geldt deze interpretatie van het begrip “regelmaat” met ingang van 1 januari 2012.

    In elk geval moet ook steeds worden nagegaan of het type wapen overeenstemt met de reden waarvoor het gevraagd wordt.

    Uit de voorgelegde schriftelijke bewijzen dient te blijken dat het wapen van het aangevraagde type daadwerkelijk gebruikt kan worden voor het recreatief schieten. Indien twijfel bestaat over de echtheid van de intentie om aan recreatief schieten te doen of over de overeenstemming van het type wapen, kan een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen worden toegekend onder een ontbindende voorwaarde. Controle van de wettige reden (en van het werkelijke gebruik van het type wapen voor de ingeroepen wettige reden) is enkel a posteriori mogelijk. De voorwaarde legt aan de betrokkene op dat hij binnen het jaar na de afgifte van de vergunning het bewijs moet leveren dat hij effectief regelmatig aan recreatief schieten gedaan heeft met het wapen waarvoor de vergunning werd afgegeven. Het volgende kan als voorbeeld dienen voor de formulering van de ontbindende voorwaarde : « Deze vergunning is slechts geldig op voorwaarde dat u voor (datum van verzending van de vergunning + 1 jaar) het bewijs heeft geleverd dat u het wapen in kwestie effectief heeft gebruikt voor het recreatief schieten. Dit bewijs wordt geleverd door een attest van de uitbater van een erkende schietstand waaruit blijkt dat u met het wapen in kwestie minstens 10 keer per kalenderjaar bent gaan schieten »(265). Dergelijke voorwaardelijke vergunning kan ook de beste oplossing zijn voor een beginnend recreatief schutter die nog geen ervaring heeft.

    3. De uitoefening van een activiteit die bijzondere risico's inhoudt of het voorhanden hebben van een vuurwapen noodzakelijk maakt

    Om aanvaard te worden, moet aan de gouverneur het bijzonder risico worden aangetoond dat de aanvrager persoonlijk loopt naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit, moet de noodzaak een vuurwapen voorhanden te hebben worden aangetoond en mag het wapen uitsluitend voor deze reden worden gebruikt (266).

    Het bewijs kan aan de hand van een attest van de werkgever of (voor een zelfstandige) met alle wettelijke middelen worden geleverd. De gouverneur zal veelal een omstandig verslag nodig hebben om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen.

    Een algemene richtlijn die de categorieën van risicoberoepen aangeeft, is niet wenselijk. Men moet steeds kijken naar de context van de aanvraag en naar de concrete aanleidingen die een wapenvergunning kunnen rechtvaardigen. Het feit dat iemand bijvoorbeeld bij een bewakingsfirma of in de diamantsector werkt, is op zich niet voldoende om de afgifte van een wapenvergunning toe te staan.

    Derhalve komt men als juwelier niet noodzakelijk in aanmerking, tenzij wordt aangetoond dat de gevaren waaraan men zich blootstelt, reëel zijn en dat men een concreet risico loopt en zijn leven beroepshalve in gevaar is. De juwelier zal dus met alle middelen moeten bewijzen dat hij slachtoffer is geweest van geweld of bedreiging in hoofde van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten.

    Het motief « beroep bijzondere risico's » kan in bepaalde gevallen evenwel verruimd worden, meer bepaald om toe te laten aan bepaalde beroepen om een wapen te bezitten zonder hetwelk zij de doelstellingen van hun opdracht niet kunnen verwezenlijken (bv. een dierenarts die zich moet kunnen beschermen tegen gevaarlijke, agressieve dieren).

    4. De persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dit groot risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen

    Hiervoor moet worden aangetoond dat de aanvrager voor zijn persoonlijke veiligheid reeds alle andere haalbare maatregelen heeft genomen en mag het wapen uitsluitend voor deze reden worden gebruikt (267).

    Men moet dus met alle middelen bewijzen dat :

    • men een ernstig en objectief risico loopt;
    • het bezit van een vuurwapen dit belangrijk risico doet afnemen en de betrokkene kan beschermen;
    • men reeds alle andere realistische maatregelen heeft genomen voor zijn persoonlijke veiligheid.

    Om na te gaan of er sprake is van een ernstig en objectief gevaar kan de gouverneur een onderzoek vragen aan de lokale politie. Als de vergunningsaanvraag erg zwak en oppervlakkig werd gemotiveerd, kan de gouverneur ze ook afwijzen zonder het onderzoek van de lokale politie.

    5. De intentie een verzameling historische wapens op te bouwen

    Hiervoor mag men - in afwachting van een erkenning als wapenverzamelaar - de wapens louter bezitten, met bijhorende munitie a rato van een patroon per type wapen, zonder ze te gebruiken (268). De wapens waarvoor een vergunning wordt aangevraagd met het oog op het opzetten van een verzameling dienen logischerwijze te kunnen passen binnen een gemeenschappelijk thema (269).

    Deze wettige reden kan worden aangetoond aan de hand van alle wettelijke middelen, zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van een vereniging van verzamelaars, het voorhanden hebben van andere wapens behorend tot hetzelfde thema die niet worden gebruikt voor andere doeleinden, een vergunningsaanvraag zonder munitie gevolgd door latere aanvragen, de verwerving van een bestaande verzameling, enz.

    6. De deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten

    Hiervoor moet de historische, culturele of wetenschappelijke aard van de beoefende activiteit worden aangetoond en mag het wapen uitsluitend voor dit doel worden gebruikt (270).

    Dit kan aan de hand van een attest vanwege de instelling, organisatie of vereniging die die activiteiten organiseert.

    VERWIJZINGEN

    (217) Zie punt 2.1. voor de definitie van verblijfplaats.
    (218) Artikel 11, § 1 WW.
    (219) Artikel 11, § 2, eerste lid WW.
    (220) Artikel 11, § 2, tweede lid WW.
    (221) Zie punt 4.1.3 en bijlage 1.
    (222) Artikel 9, § 3 KB 20/09/91.
    (223) Artikel 31, 2° WW.
    (224) Artikel 31, laatste lid WW.
    (225) Artikel 31, 2° WW.
    (226) Artikel 11, § 1, eerste lid WW.
    (227) Zie punt 4.1.3. en bijlage 1.
    (228) Zie punt 9.1.6.
    (229) Zie punt 9.1.7.
    (230) Zie punt 9.1.8.
    (231) Zie punt 9.1.9.
    (232) Zie punt 9.2.3.
    (233) In de praktijk zal de gouverneur het advies aan de lokale politie enkel vragen nadat de bij de aanvraag verschuldigde retributie is betaald.
    (234) Artikel 11, § 4, laatste lid WW.
    (235) Artikel 11, § 4, laatste lid WW.
    (236) Zie punt 9.1.10.
    (237) Artikel 9bis, § 1, 1° KB 20/09/91.
    (238) Artikel 9bis, § 1, 3°, eerste lid KB 20/09/91.
    (239) Artikel 11, § 4, vierde en vijfde lid WW.
    (240) Artikel 11/1, derde lid WW. Zie punt 9.1.10.
    (241) Artikel 11, § 4, tweede lid WW.
    (242) Artikel 9bis, § 3, derde lid KB 20/09/91.
    (243) Voor VSK kan die geraadpleegd worden op www.sportschieten.be.
    (244) Artikel 9bis, § 3, eerste lid KB 20/09/91.
    (245) Artikel 9bis, § 3, tweede lid KB 20/09/91.
    (246) Artikel 9bis, § 3, laatste lid KB 20/09/91.
    (247) Artikel 9bis, § 1, 3° tweede lid KB 20/09/91.
    (248) Artikel 11, § 4, derde lid, 1° WW en artikel 9bis, § 2, 2° van het KB 20/09/91.
    (249) Artikel 11, § 4, derde lid, 3° WW.
    (250) Artikel 11, § 4, derde lid, 4° WW.
    (251) Artikel 9bis, § 2, 3° KB 20/09/91.
    (252) Artikel 9bis, § 2, 1° KB 20/09/91 en artikel 11, § 4, vierde lid WW. Zie punt 11.
    (253) Artikel 11, § 4, vijfde lid WW. Zie punt 12.
    (254) Artikel 11/1, derde lid WW.
    (255) Artikel 11, § 3, 9° WW.
    (256) Artikel 11, § 3, 9° WW.
    (257) Artikel 11/1, derde lid WW. Zie punt 9.1.10.
    (258) Artikel 11, § 3, 9° WW.
    (259) Artikel 2, 1° KB 29/12/06.
    (260) Artikel 2, 2° KB 29/12/06.
    (261) Zie punt 12.
    (262) Zie punt 12.2.
    (263) Om uit te maken of iemand al dan niet sportschutter is, moet men in Vlaanderen meer bepaald rekening houden met het Decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de sportschutter. Uitgangspunt : iedereen die in Vlaanderen het « sportschieten » beoefent, moet houder zijn van een sportschutterslicentie. Men doet aan sportschieten wanneer men een door een internationale of nationale schietsportfederatie aangeboden discipline beoefent. Het is daarbij niet van belang of het sportschieten al dan niet in competitieverband plaatsvindt.
    (264) In de praktijk is gebleken dat ook aanvragen worden ingediend voor het sportschieten met semi-automatische wapens, ook in zwaardere kalibers. Ook aanvragen voor wapens met gladde loop (b.v. een riot gun) worden ingediend. Er bestaan inderdaad disciplines met dergelijke vuurwapens (uitsluitend semi-automatische geweren). Er bestaan geen disciplines voor korte machinepistolen.
    (265)Voor een recreatief schutter met meerdere wapens, geldt het aantal te bewijzen schietbeurten globaal, dus niet per wapen(type). Recreatief kleischutters die hetzelfde wapen voor de jacht gebruiken, hoeven hieraan niet te voldoen
    (266) Artikel 2, 3° KB 29/12/06.
    (267) Artikel 2, 4° KB 29/12/06.
    (268) Artikel 2, 5° KB 29/12/06.
    (269) Als men 5 wapens bezit die passen binnen een bepaald thema kan men meteen de erkenning als verzamelaar aanvragen. Zie hierover meer onder punt 5.
    (270) Artikel 2, 6° KB 29/12/06.