Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 9 - Wapenbezit door particulieren : algemene regels 9.1.10.-9.1.18

9.1.10. Passief wapenbezit
9.1.11. Vondst van een wapen
9.1.12. Beslissing
9.1.13. Motivering
9.1.14. Model 4
9.1.15. Beroep
9.1.16. Wijziging van de vergunning
9.1.17. Administratieve sancties
9.1.18. 5-jaarlijkse controle


9.1.10. Passief wapenbezit

Deze bijzondere mogelijkheid - die in de wapenwet werd ingevoerd met de wet van 25/7/08 - betreft, zoals verder wordt uiteengezet, mensen die wapens bezitten en ze willen behouden omdat zij er emotioneel aan gehecht zijn, zulks zonder dat die wapens hun handelswaarde verliezen of enigerlei dreiging inhouden. De vergunning « passief wapenbezit » is evenwel enkel geldig voor het eenvoudig voorhanden hebben van het wapen, met uitsluiting van munitie.

Artikel 11/1 van de wapenwet stelt meer bepaald dat een vergunning tot het voorhanden hebben wordt afgegeven aan personen die wensen een wapen in hun vermogen te behouden, waarvoor een vergunning was afgegeven of waarvoor geen vergunning vereist was voor de inwerkingtreding van de wet.

Het louter voorhanden hebben van wapens zonder dat men hiermee activiteiten (zoals bijvoorbeeld de schietsport) uitoefent, kan uitsluitend in de volgende gevallen : (271)

  1. Personen die wettig een wapen voorhanden hadden voor de inwerkingtreding van de wapenwet (op 9 juni 2006), met name :
    a. houders van een vergunning model 4;
    b. personen die wapens voorhanden hebben waarvoor geen vergunning vereist was (cf. de vroegere « jacht- en sportwapens »), die moesten geregistreerd zijn via een model 9 als ze werden verworven na 1991, en die voor 1/11/08 moesten zijn aangegeven.
  2. Personen die via een erfenis een wapen in hun vermogen ontvangen, dat wettig werd voorhanden gehouden door de overledene, binnen twee maanden nadat ze het wapen in hun bezit hebben gekregen.
  3. 3. Jagers of sportschutters die niet meer actief wensen te zijn in de jacht of de schietsport binnen drie jaar en twee maanden na het verval van hun jachtverlof of sportschutterslicentie voor de wapens die ze legaal in bezit hebben op basis van hun jachtverlof of sportschutterslicentie.

Zij die een wapen voorhanden hebben dat krachtens de wapenwet vergunningsplichtig is geworden, konden het passief wapenbezit aanvragen uiterlijk tot 31 oktober 2008.

Omdat de wet de mogelijke gevallen van passief bezit uitdrukkelijk opsomt, mag deze lijst niet worden uitgebreid, tenzij met de specifieke gevallen waarin het bezit van munitie wordt uitgesloten bij wijze van door de overheid opgelegde sanctie (272). Daarom kan een bestaande vergunning niet naar passief bezit worden omgezet als vorm van een vrijwillige beperking. Daardoor zou immers de bedoeling van de limitatieve opsomming door de wetgever in artikel 11/2 worden ondergraven.

Legale wapens in bezit voor 9 juni 2006

Bezitters van wapens die zij wettig voorhanden hadden voor de inwerkingtreding van de wapenwet op 9 juni 2006 konden deze verder passief voorhanden houden als zij daartoe uiterlijk op 31 oktober 2008 een aanvraag hebben ingediend (273).

Voor die datum moesten zij meer bepaald een vergunning aanvragen of moesten deze wapens worden geregistreerd voor een jager, sportschutter of bijzonder wachter middels een formulier model 9 (274). Het is ook mogelijk dat men een wapen voorhanden had dat niet registratieplichtig was voor 1992 en waarvoor dus geen model 4 of model 9 kan worden voorgelegd. In zulk geval moest hiervan het bewijs worden geleverd (bewijs van datum van aankoop van het betreffende wapen).

Deze regeling geldt dus niet voor diegenen (andere dan jagers en sportschutters) die een wapen hebben verkregen na 9 juni 2006.

Er kan tevens geen beroep worden gedaan op het passief wapenbezit aangaande illegaal voorhanden gehouden vuurwapens. Dergelijke wapens konden evenwel geregulariseerd worden tot 31/10/08 (275).

Onder de oude wapenwet vergunde wapens in bezit na 9 juni 2001 en voor 9 juni 2006

Voor die wapens waarvoor de betrokkene een wapenvergunning bezit die werd afgeleverd voor de inwerkingtreding van de nieuwe wapenwet, maar na 9 juni 2001 kan betrokkene bij de 5-jaarlijkse controle een vergunning voor passief wapenbezit vragen.

Erfgenamen
De erfgenaam waarvan sprake onder punt 2 kan het wapen zonder munitie (« passief ») in zijn vermogen behouden als hij de aanvraag daartoe indiende binnen twee maanden nadat hij het wapen in bezit heeft gekregen en als het legaal in het bezit was van de overledene (276).

De erfgenaam kan erven bij versterf of bij testament, hij kan algemeen of bijzonder legataris zijn en hij kan de erfenis impliciet, uitdrukkelijk of onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard. De begunstigde van een schenking onder levenden komt echter niet in aanmerking voor passief bezit.

De erfgenaam moet met alle middelen bewijzen dat het wapen in zijn vermogen (277) is gekomen.

Als hij over het wapen beschikt op de dag van het overlijden, volstaat een overlijdensakte van de gemeente of een uittreksel uit het rijksregister.

Wanneer daarentegen - in geval van aanvaarding van de erfopvolging - de inbezitname en de verdeling van de goederen van de overledene een zekere tijd in beslag nemen, moet men elk document aanbrengen dat dat kan aantonen. Een notariële akte is niet vereist. Een brief van de erfgenamen kan als voldoende worden beschouwd (278).

De erfenis moet worden aanvaard. Indien de erfenis wordt betwist, dan wordt het wapen in bewaring gegeven tot op het moment dat er een definitieve beslissing wordt genomen met betrekking tot de verdeling van de erfenis.

De erfgenaam kan er tevens voor opteren de wapens voorhanden te houden met munitie (« als actief wapenbezitter »). In dat geval zal hij een wettige reden moeten aantonen en voldoen aan alle voorwaarden van artikel 11, § 3 WW. Hij beschikt over een periode van drie maanden, vanaf het ogenblik dat hij het wapen in zijn vermogen heeft ontvangen, om de vergunningsaanvraag in te dienen. De erfgenaam mag het wapen voorlopig voorhanden houden totdat is beslist over de vergunningsaanvraag, tenzij de gouverneur op gemotiveerde wijze beslist dat het voorhanden hebben ervan de openbare orde kan verstoren (279).

De erfgenaam kan er ten slotte ook voor kiezen om het wapen over te dragen, het te laten neutraliseren of om er afstand van te doen bij de lokale politie.

Jagers, sportschutters en bijzondere wachters
Jagers, sportschutters en bijzondere wachters kunnen sommige wapens verwerven zonder een wapenvergunning te moeten aanvragen bij de gouverneur (280). De uitzondering voor bijzondere wachters, jagers en sportschutters is enkel van toepassing voor wie houder is van een geldig jachtverlof, een geldige sportschutterslicentie of een legitimatiekaart voor de bijzondere wachters.

Jagers en sportschutters waarvan het jachtverlof of de sportschutterslicentie is vervallen, kunnen het wapen gedurende drie jaar verder voorhanden hebben (op model 9), evenwel zonder er nog munitie voor voorhanden te hebben. Het hervatten van de betreffende activiteit schorst deze periode. Hetzelfde geldt voor de zgn. bijzondere wachters. Binnen de maand dienen zij daartoe de munitie over te dragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gerechtigd is deze munitie voorhanden te hebben (281).

Ook na het verstrijken van deze periode van drie jaar kunnen jagers, sportschutters en bijzondere wachters beroep doen op het verdere passief wapenbezit van het wapen als zij de aanvraag daartoe indienen binnen twee maanden na het verstrijken van een periode van drie jaar volgend op de vervaldag (282). De aanvraag kan ook worden ingediend nog voor het verstrijken van de periode van drie jaar waarin de wet reeds voorziet.

Deze mogelijkheid van het passief wapenbezit is uitsluitend van toepassing op de volgende wapens :
- m.b.t. de jager : lange wapens toegestaan daar waar het jachtverlof geldig is (283);
- m.b.t. de sportschutter : wapens ontworpen voor het sportschieten bedoeld in het MB van 15/3/07 (284);
- m.b.t. de bijzondere wachter : lange wapens toegestaan daar waar de legitimatiekaart geldig is (285).

Bijzondere elementen in de aanvraagprocedure vergunning passief wapenbezit
Alhoewel de aanvraagprocedure voor passief wapenbezit grotendeels dezelfde is als deze besproken onder punt 9.1, is de aanvrager van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen zonder munitie vrijgesteld van de volgende voorwaarden :
- een medisch attest voorleggen;
- slagen voor een theoretische proef;
- slagen voor een praktische proef;
- wettige reden opgeven en staven (286).

Niettemin moet hij wel voldoen aan alle moraliteitsvoorwaarden en mogen geen meerderjarige personen waarmee de aanvrager samenwoont, zich verzetten tegen de aanvraag.

In geval van toekenning van de vergunning wordt een model 4 opgemaakt waarvan het deel A bestemd is voor de houder en deel B voor de gouverneur en welke delen door de gouverneur worden ondertekend en aangevuld met de volgende vermeldingen :
1° de omschrijving van de omstandigheden, plaats en datum van de inbezittreding;
2° de identificatie van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer;
3° de identificatie van de persoon die het wapen voorhanden heeft : naam, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte. Wanneer het een rechtspersoon betreft, de firma of de naam van de vennootschap en de zetel van de vennootschap. Deel B van de vergunning wordt bewaard door de bevoegde overheid (287).

De houder van een vergunning passief wapenbezit moet verder aan alle rechten en plichten voldoen die van toepassing zijn op houders van een wapenvergunning. Alle regels inzake dracht, opslag, vervoer, overdracht en dergelijke meer, van vergunningsplichtige wapens blijven van toepassing. Een passief wapenbezitter mag evenwel nooit munitie voor de betrokken wapens voorhanden hebben. Hij mag ook nooit schieten met de wapens die vergund zijn zonder munitie onder de regeling van het passief wapenbezit.


9.1.11. Vondst van een wapen

De wapenwet voorziet in de mogelijkheid voor zij die te goeder trouw een wapen verkrijgen onder eerder toevallige omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het op zolder vinden van een wapen, om voor dat wapen een bezitsvergunning aan te vragen. Daartoe moet de aanvraag worden ingediend binnen drie maanden nadat men het wapen verkregen heeft. De ontdekking moet op eigen initiatief worden gesignaleerd aan de lokale politie. De lokale politie zal een model 6 afgeven en het wapen registreren in het CWR in afwachting van de verlening van een vergunning door de gouverneur.

In afwachting van de beslissing van de gouverneur mag het wapen voorhanden worden gehouden, tenzij deze op gemotiveerde wijze beslist dat het voorhanden hebben ervan de openbare orde kan verstoren (288). Het wapen moet dan bewaard worden bij de politie tot de gouverneur een uitspraak heeft gedaan over het al dan niet toekennen van de vergunning.

Ook hier is de aanvraagprocedure van een vergunning tot het voorhanden hebben van het « ontdekte » wapen dezelfde als deze besproken onder punt 9.1.

In geval van toekenning van de vergunning wordt een model 4 opgemaakt waarvan het deel A bestemd is voor de houder en deel B voor de gouverneur en welke delen door de gouverneur worden ondertekend en aangevuld met de volgende vermeldingen :
1° de omschrijving van de omstandigheden, plaats en datum van de inbezittreding;
2° de identificatie van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer;
3° de identificatie van de persoon die het wapen voorhanden heeft : naam, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte. Wanneer het een rechtspersoon betreft, de firma of de naam van de vennootschap en de zetel van de vennootschap. Deel B van de vergunning wordt bewaard door de bevoegde overheid (289).

Als de gouverneur vaststelt dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden om het wapen te verwerven als jager of als sportschutter, kan hij, op basis van artikel 12 WW, een model 9 uitreiken

Hij die een wapen ontdekt, kan het ook laten neutraliseren zodat het vrij verkrijgbaar wordt. Hij kan er ten slotte tevens afstand van doen. Omdat de legale oorsprong van het wapen hier niet vaststaat, zijn wij van oordeel dat er geen sprake is van eigendomsrecht dat beschermd moet worden en is de overdracht van het wapen niet toegelaten. Zoniet zou de deur naar het witwassen van illegale wapens wijd open worden gezet. Bovendien is de regularisatiemogelijkheid van artikel 17 WW slechts een strikt te interpreteren uitzondering op de algemene regel dat men vooraf vergund moet zijn om een wapen te mogen bezitten. Wij zijn van mening dat enkel wie te goeder trouw ontdekker is van een wapen, waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij het bestaan van het wapen niet kende, zich op deze uitzondering kan beroepen.


9.1.12. Beslissing

De gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager beslist over de aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen (290).

Als de betrokkene hierom vraagt, moet hij vooraf schriftelijk of mondeling worden gehoord. Hij moet in staat worden gesteld zich vooraf te verdedigen tegen de negatieve elementen waarvan hij geen kennis had (hoorrecht).

Opdat de wettelijke voorwaarden van de afgifte van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen door de gouverneurs eenvormig worden toegepast in het gehele land hebben zij terzake geen discretionaire macht. Ofwel voldoet de aanvrager aan alle voorwaarden en moet de vergunning worden verleend, ofwel voldoet hij niet aan alle voorwaarden en kan de vergunning niet worden verleend. Tijdens de parlementaire bespreking heeft de wetgever expliciet dit principe vooropgesteld met als doel de rechtszekerheid voor de burger te verhogen. Wij verwijzen in dit verband eveneens naar onze omzendbrief van 8 juni 2006.

De vergunning kan worden beperkt tot het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie en ze is slechts geldig voor één wapen (291).

De gouverneur informeert de lokale politie onmiddellijk over de vergunningen tot het voorhanden hebben die hij weigert of afgeeft, evenals over hun schorsing, beperking, intrekking of teruggave, of nog over de schorsing of intrekking van het recht wapens voorhanden te hebben. Desgevallend is het eveneens aangewezen om de betrokken schietsportfederatie of de dienst die de jachtverloven afgeeft, te informeren.
Om te vermijden dat vergunningen verloren gaan in de post, wordt aanbevolen om de vergunningen zelf aan betrokkene te bezorgen via de korpschef van de bevoegde politiezone

De vergunningen zelf worden aan betrokkene bezorgd via de korpschef van de bevoegde politiezone.


9.1.13. Motivering

De beslissing van de gouverneur moet met redenen omkleed zijn en vermeldt in geval van schorsing of intrekking van de vergunning de termijnen waarbinnen het wapen in bewaring moet worden gegeven bij een erkend persoon of moet worden overgedragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben (292).

Ook inzake de motivering van de beslissing dient de gouverneur zich te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder de wet van 29/7/91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Elke overheidsbeslissing met individuele strekking dient immers zowel materieel als formeel gemotiveerd te worden en de motivering in de akte moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag liggen van de beslissing.

De gouverneur kan zich hiertoe beroepen op het politieverslag of op het advies van de procureur des Konings. Indien er een vooronderzoek of een gerechtelijk onderzoek bezig is of indien er een gerechtelijke beslissing is, kan dit eveneens relevant zijn.

De redenen die aanleiding kunnen geven tot de weigering van de vergunningsaanvraag tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, kunnen op geldige wijze worden ingeroepen tot staving van een beslissing houdende schorsing of intrekking van de vergunning.


9.1.14. Model 4

De vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen wordt opgesteld conform het zogenaamde model 4. Het bevat een deel A, bewaard door de houder en een deel B, voor te leggen aan de lokale politie ter controle (293).
De vergunningen worden aan de betrokkenen bezorgd via de korpschef van de bevoegde politiezone, die op die manier op de hoogte is van de afgifte ervan. In geval van weigering informeert de gouverneur hem.

De geldigheidsduur die - in uitvoering van artikel 32 WW zoals die van toepassing was tussen 9 juni 2006 en 1 september 2008 - op de vergunning is vermeld, moet voor ongeschreven worden gehouden.

Deel A van de vergunning wordt door de houder overhandigd aan de leden van de diensten bedoeld in artikel 29 van de wapenwet (294) wanneer die in het kader van het door hen uitgeoefende toezicht daarom verzoeken (295).

Het document model 4 vermeldt de identiteitsgegevens van de houder, de kenmerken van het wapen, of het wapen werd verkregen, ingevoerd, ingeschreven, gevonden of gelegateerd en de wettige reden (296). Het is maar geldig voor één wapen (297).

De vergunning is gedagtekend en verleent aan de houder ervan het recht om het wapen binnen drie maanden na de afgifte (298) aan te kopen of in te voeren. Als de aankoop of de invoer van het wapen niet binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, is de vergunning vervallen en moet zij binnen acht dagen worden teruggezonden aan de gouverneur. Dit geldt tevens wanneer de vergunning niet langer geldig is (299).

Deze geldigheidsduur wordt niet vermeld op het model 4. Het is dan ook nuttig om deze termijn onder de aandacht van de wapenbezitter te brengen. Als hij hem immers niet respecteert, zal hij een nieuwe aanvraag moeten doen (hetgeen onder meer betekent dat hij opnieuw de retributie zal moeten betalen).

In geval het wapen in België wordt aangekocht, moet deel A door de overdrager worden ondertekend en met de volgende vermeldingen worden aangevuld : (300)
- de identiteitsgegevens van de overdrager : naam, voornaam en rijksregisternummer. Indien het een rechtspersoon betreft, worden de firma of de naam van de vennootschap, de zetel van de vennootschap, de identiteit van de zaakvoerder, van de voorzitter of van de gedelegeerd bestuurder vermeld;
- het nummer van de erkenning van de erkende persoon (b.v. wapenhandelaar) of het nummer, de plaats en datum van de uitreiking van de vergunning tot het voor handen hebben van de overdrager;
- de plaats en de datum van de overdracht;
- de identificatie van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer.

In geval het wapen wordt ingevoerd vanuit een land dat geen lidstaat is van de Europese Unie moet deel A door een agent van de douane worden ondertekend en met de volgende vermeldingen worden aangevuld : (301)
- de identificatie van het douanekantoor;
- de datum van de invoer;
- de identificatie van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer.

Deel B wordt door de overdrager of het douanekantoor binnen de maand na de overdracht of de invoer toegezonden aan de gouverneur. Dit deel van de vergunning is gedagtekend, ondertekend en bevat de vermeldingen die betrekking hebben op de identificatie van het wapen, van de koper of van de invoerder.

In geval het wapen wordt ingevoerd vanuit een lidstaat van de Europese Unie moet de verkrijger of de invoerder zich binnen 15 dagen aanbieden bij de lokale politie van zijn verblijfplaats, teneinde deel A en B te laten invullen (302).

De lokale politie identificeert het wapen dat door iemand wordt verworven of ingevoerd. Indien nodig brengt ze correcties en/of aanvullingen aan op de luiken A en B. Indien er correcties moeten gebeuren, stuurt ze zowel luik A als luik B terug, zodat de nodige aanpassingen kunnen gebeuren en de vergunning overeenstemt met de werkelijke toestand van het wapen. Gaat het enkel om aanvullingen, dan moet alleen luik B worden teruggestuurd. De gouverneur zorgt voor de verdere aanpassing van het CWR.


9.1.15. Beroep

Tegen de beslissing van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, alsook tegen het ontbreken van een beslissing binnen de termijn van vier maanden vanaf ontvangst van de aanvraag, staat beroep open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde (303).

Tegen een beslissing houdende de onontvankelijkheid van de aanvraag staat deze beroepsmogelijkheid niet open. In dat geval kan de aanvrager zich wel nog wenden tot de Raad van State.

Ook in geval het beroep bij de minister van Justitie niet wordt ingewilligd, is een verder administratief beroep mogelijk bij de Raad van State. Het betreft in dat geval een beroep tot schorsing of een annulatieberoep. Het beroep bij de Raad van State moet worden ingesteld binnen 60 dagen na de kennisname van de bestreden beslissing.

Het beroep bij de minister van Justitie betreft een gewoon administratief beroep. Het heeft geen schorsende werking, m.a.w. de verzoeker dient zich te schikken naar de bestreden beslissing minstens totdat over zijn verzoekschrift uitspraak wordt gedaan.

Het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep moet :
- gemotiveerd zijn;
- aangetekend worden verzonden aan de federale wapendienst;
- ingediend worden binnen 15 dagen na de kennisname van de beslissing van de gouverneur of na de vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen de termijn van vier maanden;
- vergezeld zijn van een kopie van de bestreden beslissing.

In geval aan één van deze modaliteiten niet is voldaan, is het verzoekschrift onontvankelijk (304).

De wetten betreffende de openbaarheid van bestuur van 11/4/94 en 12/11/97 schrijven voor dat een administratieve rechtshandeling met individuele strekking slechts geldig is ter kennis gebracht als de beroepsmogelijkheden en alle modaliteiten van het beroep (vormen en termijnen) worden vermeld. Bij ontstentenis daarvan neemt de termijn voor het indienen van het beroep geen aanvang.

De uitspraak in beroep wordt gedaan binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift (305).

Deze termijn kan worden verlengd bij gemotiveerde beslissing. De verlenging kan slechts eenmaal worden toegestaan en de termijn ervan mag uiterlijk zes maanden bedragen (306).

De behandeling in beroep houdt een volledige herbeoordeling van de zaak in.


9.1.16. Wijziging van de vergunning

De houder van de vergunning moet de bevoegde gouverneur, binnen 15 dagen te rekenen vanaf de wijziging, in kennis stellen van elke wijziging (behalve een adreswijziging binnen dezelfde provincie) van een vermelding betreffende zijn persoon of het wapen, of van het verlies, de vernietiging of de diefstal van het wapen (307).

Tevens dient elk verlies of diefstal van een vergunningsplichtig wapen onverwijld te worden gemeld aan de lokale politie (308).

Als de wijziging bestaat uit een verhuis van de houder naar een adres dat gelegen is buiten de provincie volstaat het dat het dossier wordt overgedragen aan de provincie van de nieuwe verblijfplaats. De vroegere beherende provincie kan het dossier dan afsluiten. Aangezien het adres er niet meer op wordt vermeld, dient geen nieuwe vergunning te worden afgeleverd.

Bij overlijden van de houder van de vergunning moeten zijn rechtverkrijgenden daarvan kennis geven aan de bevoegde gouverneur (309).


9.1.17. Administratieve sancties

De gouverneur kan beslissen tot beperking, schorsing of intrekking van de vergunning als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te verkrijgen, niet meer bestaat (310). De beslissing dient gemotiveerd te zijn en kan enkel worden genomen na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene (311).

De beperking kan bijvoorbeeld bestaan uit het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie bij wijze van sanctie (niet op eenvoudige aanvraag) of een beperking in geldigheidsduur.

De schorsing van de vergunning is als maatregel aangewezen als de houder van de vergunning zich voorlopig in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde. De schorsing is beperkt in de tijd (312). Indien ze langer duurt dan één jaar verdient het aanbeveling de vergunning in te trekken.

De intrekking van de vergunning is noodzakelijk wanneer de houder van de vergunning zich voor een langere tijd in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde (313).

Zo kunnen de vergunningen van mensen die van rechtswege zijn geschrapt (omwille van verblijf in het buitenland of omwille van een fictieve verblijfplaats in België) worden ingetrokken wegens gevaar voor de openbare orde.

Zowel de intrekking als de schorsing hebben vanaf de kennisgeving ervan aan de houder van de vergunning het verbod tot het voorhanden hebben van het betreffende wapen tot gevolg.

De kennisgeving van de intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de houder van de vergunning gebeurt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs (314).

De gouverneur geeft kennis van zijn intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de lokale politie van de verblijfplaats van de betrokkene en houdt hem op de hoogte van de uitvoering van zijn beslissing. Op die manier waakt de lokale politiedienst over de correcte uitvoering van de beslissing van de gouverneur.

Alvorens de beslissing te nemen, moet men de persoon de mogelijkheid geven om te reageren (hoorrecht).

De intrekking- of schorsingsbeslissing vermeldt de termijnen waarbinnen het wapen in bewaring moet worden gegeven bij een erkend persoon of moet worden overgedragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben (315).

Binnen 8 dagen te rekenen vanaf de inbewaringgeving of overdracht van het betreffende wapen dient de persoon die het in bewaring heeft gekregen of aan wie het is overgedragen de gouverneur ervan in kennis te stellen dat het wapen bij hem in bewaring is gegeven of aan hem is overgedragen. Dit gebeurt door middel van een formulier dat de gouverneur bij de kennisgeving voegt (316).

Er moet steeds een formulier zijn en het onderscheid tussen de bewaargeving en de overdracht van het wapen moet er duidelijk uit blijken. In beide gevallen gaat het feitelijke bezit van het wapen over naar de overnemer. Nochtans kan de verhouding tussen partijen hen ertoe verplichten het wapen terug te geven (bij bewaargeving), dan wel een definitieve overdracht beogen. In alle gevallen moeten de nodige formaliteiten worden nageleefd. Bij overdracht van het bezit van het wapen aan een wapenhandelaar bijvoorbeeld moet het wapen worden ingeschreven in zijn registers; bij overdracht aan een jager moet een model 9 worden opgesteld, enz. De invulling van het formulier van inbewaringgeving of overdracht ontslaat de betrokken partijen dus niet van hun andere wettelijke verplichtingen ter zake.

Als de wapenbezitter eveneens houder is van een sportschutterslicentie, dan geldt in Vlaanderen dat de sportschutterslicentie wordt ingetrokken als een wapenvergunning wordt geweigerd om redenen die verband houden met de openbare orde (317). Om elk misverstand te voorkomen, verdient het aanbeveling de gemachtigde schietsportfederatie die de sportschutterslicentie heeft uitgereikt duidelijk aan te geven dat de weigering van de vergunning gebaseerd is op redenen van openbare orde (en bv. niet op andere redenen zoals het ontbreken van de toestemming van inwonende meerderjarige gezinsleden). In de Franse gemeenschap geldt deze regel niet.


9.1.18. 5-jaarlijkse controle

Sinds 1 september 2008 zijn de vergunningen tot het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens niet langer beperkt tot een duurtijd van vijf jaar maar zijn zij voor onbepaalde duur geldig.

De vergunning is evenwel voor bepaalde duur geldig als de aanvraag slechts voor een bepaalde duur was gedaan of als de gouverneur bij gemotiveerde beslissing een beperkte geldigheidsduur oplegt om redenen van vrijwaring van de openbare orde (318).

De gouverneur onderzoekt eens per vijf jaar of de houders van de vergunningen (319) die hij heeft afgegeven de wet naleven en nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen ervan (320).

Niettemin kan de gouverneur beslissen om bijvoorbeeld al eerder een controle uit te voeren; dit om de controles voor verschillende wapens te kunnen groeperen, of omdat er indicaties zijn van gevaar voor de openbare orde of omdat er indicaties zijn dat de wettige reden niet meer aanwezig is.

Hierbij vraagt de gouverneur advies aan de lokale politie en eventueel aan het openbaar ministerie (321). De houders van de vergunningen moeten verklaren of doen vaststellen dat zij nog steeds beantwoorden aan de voorwaarden voor het verkrijgen ervan en dat er geen redenen zijn om te besluiten tot een beperking, schorsing of intrekking van de vergunning (322).

Als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van personen of als de wettige reden ingeroepen om de vergunning te verkrijgen niet meer bestaat, kan de bevoegde gouverneur de vergunning bij gemotiveerde beslissing beperken, schorsen of intrekken. Alvorens deze beslissing te nemen moet hij evenwel het advies hebben ingewonnen van de bevoegde procureur des Konings (323).

Bij de periodieke controle zal de gouverneur dus de mogelijkheid hebben om vergunningen die werden afgegeven in het gunstige overgangsregime te controleren op de naleving van alle wettelijke voorwaarden.

Voorbeeld : ik bezit sinds 2002 een jachtgeweer dat krachtens de nieuwe wapenwet vergunningsplichtig is geworden en waarvoor ik op 2 juni 2007 via de overgangsregeling een vergunning model 4 verkreeg aangezien ik meerderjarig was, geen veroordelingen van artikel 5, § 4 WW had opgelopen en er geen redenen van openbare orde bestonden die zouden kunnen leiden tot de intrekking van de vergunning (324). Tegen 2 juni 2012 zal de gouverneur nagaan of ik voldoe aan alle wettelijke vereisten. Dit betekent dat ik op dat moment moet kunnen aantonen dat ik beschik over een wettige reden om het wapen voorhanden te hebben, dat ik medisch geschikt ben, en dergelijke meer. Als ik geen wettige reden meer heb, moet ik zelf het eventueel passief bezit aanvragen vóór de gouverneur de vijfjaarlijkse controle start.

De retributie is (een keer per periode van vijf jaar) verschuldigd bij de periodieke controle (325).

Na de controle en als de houder voldoet aan alle voorwaarden wordt aan de betrokkene een bevestigingsbericht van de gunstige afronding van deze controle bezorgd. Als de wettige reden is gewijzigd, wordt een nieuw model 4 afgegeven, met behoud van het oorspronkelijke vergunningsnummer en de oorspronkelijke datum. Dit geldt eveneens in geval de oorspronkelijke vergunning nog een vervaldatum vermeldde.

VERWIJZINGEN

(271) Artikel 11/1 WW.
(272) Artikel 32 WW laat de gouverneur toe om, indien de wettige redden niet meer kan worden aangetoond, de vergunning te beperken door uitsluiting van het bezit van munitie.
(273) Artikel 11/2, eerste lid WW.
(274) Artikel 44, § 2 WW. Zie punt 22.3.
(276) Artikel 11/2, tweede lid WW.
(277) Het « vermogen » wordt hier in strikte zin begrepen, nl. het betreft enkel het persoonlijke vermogen van de aanvrager.
(278) Indien dus bijvoorbeeld de akte van boedelverdeling van de roerende goederen pas enkele maanden na het overlijden wordt opgesteld, begint vanaf dan de termijn te lopen.
(279) Artikel 17, tweede lid WW.
(280) Zie verder punten 11-13.
(281) Artikel 13, tweede lid WW.
(282) Artikel 11/2, derde lid WW.
(283) Zie punt 11.2.
(284) Zie punt 12.2.
(285) Zie punt 13.
(286) Artikel 11/1, derde lid WW.
(287) Artikelen 10 en 12 KB 20/09/91.
(288) Artikel 17, tweede lid WW.
(289) Artikelen 10 en 12 KB 20/09/91.
(290) Artikel 11, § 1 WW.
(291) Artikel 11, § 1, eerste lid WW.
(292) Artikel 14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW.
(293) Artikel 10 KB 20/09/91.
(294) Zie punt 20.1.
(295) Artikel 13, eerste lid KB 20/09/91.
(296) Artikelen 11 en 12 KB 20/09/91.
(297) Artikel 11, § 1, eerste lid WW.
(298) Te rekenen vanaf de datum van de ondertekening van de vergunning door de gouverneur.
(299) Artikel 10, tweede lid KB 20/09/91.
(300) Artikel 11, eerste lid KB 20/09/91.
(301) Artikel 11, tweede en derde lid KB 20/09/91.
(302) Artikel 11, vierde lid KB 20/09/91. Zie punt 9.2.1.
(303) Artikel 30, eerste lid WW.
(304) Artikel 30, tweede lid WW.
(305) Artikel 30, tweede lid WW.
(306) Artikel 31, 2° WW.
(307) Artikel 13, tweede lid KB 20/09/91.
(308) Artikel 10, tweede lid WW.
(309) Artikel 13, derde lid KB 20/09/91.
(310) Het is aangewezen dat de gouverneurs elkaar informeren bij verhuizing van een wapenhouder naar een andere provincie, zeker in geval er sprake is van een intrekking of schorsing van zijn vergunning opdat de beslissing overal zou worden gehandhaafd.
(311) Artikel 11, § 1, tweede lid WW.
(312) De schorsing kan ook worden opgelegd tot eerherstel wordt verkregen of tot bewijs van een duidelijke verbetering van een bepaalde situatie.
(313) De intrekking kan zich ook beperken tot bepaalde activiteiten.
(314) Artikel 14, eerste lid KB 20/09/91.
(315) Artikel 14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW.
(316) Artikel 14, derde lid KB 20/09/91.
(317) Artikel 11, § 2, 5° Decreet 11/5/07 Vlaamse Gemeenschap sportschutters.
(318) Artikel 32, eerste lid WW.
(319) Houders van een model 9 zijn niet onderworpen aan de 5-jaarlijkse controle. Dit betekent evenwel niet dat de gouverneur geen onderzoek kan vragen aan de lokale politie omtrent het wapenbezit van bijvoorbeeld een jager of een sportschutter en dit omdat er indicatie is van gevaar voor de openbare orde.
(320) Artikel 32, tweede lid WW.
(321) Als de wapenhouder meerdere adressen heeft, wordt de controle uitgevoerd door de lokale politie van de plaats waar de wapens zich bevinden. De lokale politie die bevoegd is voor de verblijfplaats van de houder moet tevens worden geraadpleegd voor informatie aangaande de wapenhouder zelf.
(322) Artikel 32, derde lid WW.
(323) Artikel 32, vierde lid WW.
(324) Artikel 44, § 2 WW.
(325) Zie punt 24.2.