Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 10 - Wapendracht door particulieren : algemene regels


10. Wapendracht door particulieren : algemene regels

10.1. Notie
10.2. Omstandigheden waarin een wapen vrij mag worden gedragen
10.3. Vergunningsprocedure


10.1. Notie

Wie houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, mag dat wapen daarom nog niet naar believen bij zich dragen.

Traditioneel wordt het begrip « een wapen dragen » opgevat als het wapen nemen, het bij zich houden in een zak of in een etui of nog, het binnen handbereik hebben zodat het onmiddellijk bruikbaar is. Het loutere gebruik van een wapen impliceert al dat het gedragen wordt. Anderzijds beschouwt men wapendracht als een openbare aangelegenheid. Er is sprake van wapendracht als dit gebeurt op de openbare weg, op een openbare plaats, of wanneer het zichtbaar is vanaf een openbare weg of plaats.

Het vervoeren van een wapen is strikt genomen dus ook te beschouwen als wapendracht, als de regels voor het vervoer niet worden nageleefd waardoor het wapen onmiddellijk bruikbaar is (b.v. vervoer van een wapen in een handschoenenkastje of binnen handbereik onder de zetel van het voertuig). Voor vervoer gelden de hierboven vermelde bijzondere regels (355). Het dragen van een wapen in een tuin zal wapendracht zijn als het zichtbaar is vanaf een publiek toegankelijke plaats. Binnenshuis daarentegen is er geen sprake van wapendracht.

Wapendracht is steeds onderworpen aan een wettige reden. Dit geldt voor alle soorten wapens. Men moet dus steeds een aanvaardbare reden kunnen geven waarom men op een bepaald moment een bepaald wapen draagt (356).

Voor vergunningsplichtige vuurwapens volstaat dit niet. Daar is in principe ook een wapendrachtvergunning noodzakelijk, maar voor jagers en sportschutters bestaat er een gunstregeling (357).


10.2. Omstandigheden waarin een wapen vrij mag worden gedragen

De houder van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen of van een gelijkwaardig document mag dit wapen dragen in de woning waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft gevestigd.

Buiten zijn woon- of verblijfplaats kan hij in overeenstemming met artikel 21 WW het wapen vervoeren tussen zijn woon- en verblijfplaats, of tussen zijn woon- of verblijfplaats en de schietstand of het jachtterrein, of tussen zijn woon- of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen vuurwapens ongeladen en verpakt te zijn in een afgesloten koffer, of uitgerust te zijn met een trekkerslot of een equivalente beveiliging.

Artikel 15 WW laat aan jagers en sportschutters toe hun wapens te dragen zonder wapendrachtvergunning in het kader van de beoefening van hun activiteit. Voor de jacht en het sportschieten, daarin begrepen het parcoursschieten, is er dus geen wapendrachtvergunning meer nodig.

In alle gevallen moet de houder de vergunning tot het voorhanden hebben van het betrokken wapen bij zich houden, of het document dat zijn hoedanigheid aantoont.

In alle andere omstandigheden is voor het dragen van een vergunningsplichtig vuurwapen een wapendrachtvergunning vereist. De overgebleven redenen om een wapendrachtvergunning aan te vragen zijn vooral van professionele aard (maar in geval het gaat over bewakingsagenten is de aparte procedure bij de Minister van Binnenlandse Zaken van toepassing) of met het oog op persoonlijke verdediging.


10.3. Vergunningsprocedure (358)


10.3.1. Bevoegdheid

De wapendrachtvergunning wordt afgegeven door de gouverneur na gemotiveerd advies van de procureur des Konings van het arrondissement waar de verblijfplaats van de aanvrager is gevestigd. Het betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs worden geacht de wet op dezelfde manier, zoals beschreven in deze omzendbrief, toe te passen.
Indien de aanvrager geen verblijfplaats heeft in België, moet hij zijn aanvraag indienen bij de dienst wapens van de Staatsveiligheid.


10.3.2. Ontvankelijkheid

Een wapendrachtvergunning kan slechts worden afgegeven voor een wapen dat de aanvrager regelmatig voorhanden heeft, dus op basis van een vergunning tot voorhanden hebben ervan of een gelijkwaardig document. Wanneer het gaat om een beroepsactiviteit wordt het wapen vaak voorhanden gehouden door een rechtspersoon die de wapendrachtvergunning aanvraagt voor één van zijn personeelsleden.
De aanvraag moet de volgende vermeldingen bevatten :

  • de identificatie van de aanvrager : naam, voornamen, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte;
  • de identificatie van het wapen of de wapens waarop de aanvraag betrekking heeft : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer;
  • de vermeldingen betreffende de vergunning tot het voorhanden hebben van het betrokken wapen : overheid, datum van afgifte en nummer van de vergunning;
  • de redenen van de aanvraag, met name een omschrijving van de omstandigheden waarin het wapen zal worden gedragen.


10.3.3. Onderzoek

De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de wapendrachtvergunning de voorwaarden moet vermelden waaraan het dragen van het wapen is onderworpen. Daarom moet de aanvrager de redenen aangeven waarom hij de vergunning aanvraagt, evenals de omstandigheden waarin hij het wapen zal dragen. De belangrijkste redenen die worden ingeroepen zijn de volgende 2 :

  • Persoonlijke verdediging : dit is de hoofdreden waarom een wapendrachtvergunning wordt aangevraagd. Net zoals bij de aanvraag van de noodzakelijk eerder verkregen vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen om die reden, moet worden aangetoond dat de aanvrager een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar loopt en dat het dragen van dit wapen dit gevaar kan doen verminderen (359);
  • Beroepsactiviteit : de beroepsactiviteit van de aanvrager kan hem in situaties doen terechtkomen waarin zijn leven is bedreigd. Werknemers van een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst kunnen terecht bij de minister van Binnenlandse Zaken. Privédetectives mogen niet gewapend zijn. Voor andere beroepscategorieën geldt de regel dat geen enkele categorie op zich het dragen van een vuurwapen verantwoordt en dat elke aanvraag op zich wordt onderzocht (360).

Ook de persoonlijkheid van de aanvrager wordt opnieuw onder de loep genomen, op dezelfde wijze als op het moment van de aanvraag van de vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen.


10.3.4. Ambassadepersoneel e.d.

Als de aanvrager deel uit maakt van het personeel van een diplomatieke of daarmee gelijkgestelde missie, valt hij, voor wat betreft de afgifte van een wapendrachtvergunning, onder de bevoegdheid van de gouverneur (met uitzondering van de personen die de diplomatieke status genieten en die rechtstreeks onder de bevoegdheid van de minister van Justitie vallen).

De aanvragen kunnen door de betrokken persoon zelf of door bemiddeling van de Dienst Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken worden ingediend bij de diensten van de gouverneur.

De gouverneur wordt verzocht :

  • advies in te winnen van de Staatsveiligheid alvorens een beslissing te nemen inzake de aanvraag;
  • de Staatsveiligheid van de genomen beslissing kennis te geven zodat deze administratie een totaalbeeld verkrijgt van de wapens die door het personeel van de diplomatieke missies en het daarmee gelijkgesteld personeel worden gedragen.


10.3.5. Het medisch attest

Het MB van 16/10/08 houdende erkenning van de artsen bevoegd voor het afgeven van een attest bedoeld in artikel 14 van de wapenwet bepaalt dat de aanvraag van een wapendrachtvergunning moet vergezeld gaan van een attest afgegeven door de geraadpleegde arts dat de betrokkene geen fysieke of mentale tegenindicaties vertoont voor het dragen van een vuurwapen (361).

Het betreft de volgende arts :

  • ofwel de huisarts die het globaal medisch dossier van de aanvrager beheert, of die verklaart hem sinds minstens een jaar op te volgen;
  • ofwel een psychiater of neuropsychiater (als de aanvrager geen vaste huisarts heeft of voor deze optie kiest).

Voor bewakingsagenten gelden andere regels.
Het gaat hier niet over een eenvoudig attest zoals dat vereist bij de aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, waarin een vrij te kiezen arts verklaart dat de betrokkene in staat is een vuurwapen te hanteren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen. De eisen zijn uiteraard hoger omdat het gaat om een vergunning voor een activiteit met een hoger risico. Er moeten garanties zijn dat de arts de betrokkene goed kent door ervaring of na grondig onderzoek. De arts kan zich vanzelfsprekend alleen baseren op wat hij kan weten op het ogenblik van de aanvraag van het attest en kan achteraf niet verantwoordelijk worden gesteld als de betrokkene toch een incident uitlokt, veroorzaakt door een nog onbekende factor. Voor het attest worden typeformules verspreid bij de artsen.


10.3.6. Termijn

De behandelingstermijn voor een aanvraag is dezelfde als die voor een vergunning model 4 (vier maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag).


10.3.7. Beslissing

De wapendrachtvergunning wordt afgegeven voor een duur van ten hoogste drie jaar. Voor het verstrijken van die termijn moet de houder van de vergunning, indien hij dat wenst, om de hernieuwing ervan verzoeken.

De vergunning kan uiteraard voor een kortere duur worden afgegeven als daartoe een reden bestaat of als de aanvrager dit wenst.

Elke beslissing tot toekenning of tot weigering van de vergunning moet afdoende worden gemotiveerd.


10.3.8. Model 5

Op de wapendrachtvergunning moeten de voorwaarden waaraan het dragen van het wapen onderworpen is, worden vermeld, bijvoorbeeld :

  • dat het dragen van het wapen al dan niet is beperkt tot de uitoefening van een beroepsactiviteit die dan moet worden vermeld;
  • de omstandigheden, binnen het kader van die activiteit, waarin het dragen van het wapen is toegestaan : het is mogelijk dat alleen bepaalde handelingen van de beroepsactiviteit het dragen van het wapen rechtvaardigen.

De wapendrachtvergunning wordt opgemaakt als een formulier model 5.

Met het oog op de vereenvoudiging en de eenvormigheid wordt dit type van vergunning uitsluitend gedrukt door het Belgisch Staatsblad en kan het alleen bij de Federale Wapendienst worden verkregen.

De wapendrachtvergunning is een authentiek stuk waarop bij afgifte een stempel en een droogstempel worden aangebracht. Het is het enige document in het kader van de wapenwetgeving waarop een pasfoto van de houder moet worden aangebracht. Het stuk draagt een uniek nummer dat wordt voorafgegaan door het nummer van de provincie en de laatste twee cijfers van het jaar van uitgifte, volgens de volgende structuur :
5/1/10/0001
5 = de wapendrachtvergunning;
1 = code van de provincie (362);
10 = jaar van uitreiking;
0001 = het druknummer.
Binnen acht dagen te rekenen vanaf de afgifte van de vergunning of van de hernieuwing ervan moet de gouverneur ervoor zorgen dat de wapendrachtvergunning is ingeschreven in het CWR.


10.3.9. Beroep

In geval de gouverneur de wapendrachtvergunning weigert of haar onderwerpt aan voorwaarden, en eveneens wanneer de gouverneur een administratieve sanctie (beperking, schorsing of intrekking) oplegt, kan beroep ingesteld worden bij de minister van Justitie.

Dit kan niet als de beslissing van de gouverneur is gebaseerd op de onontvankelijkheid van de aanvraag. In dat geval staat enkel het gewone administratief beroep bij de Raad van State open.

Zoals alle beroepen bij de minister van Justitie moet het beroep binnen 15 dagen na ontvangst van de beslissing van de gouverneur bij aangetekend schrijven worden gestuurd aan de Federale Wapendienst. Het verzoekschrift moet gemotiveerd zijn en vergezeld gaan van een kopie van de bestreden beslissing. Het beroep is onontvankelijk als aan deze voorwaarden niet is voldaan.

Het beroep wordt behandeld in overeenstemming met de in punt 9.1.15 uiteengezette regels.


10.3.10. Wijziging van de vergunning

De vergunning vermeldt niet langer het adres van de houder. Dit betekent dat bij adreswijziging er door hem niets meer hoeft te worden ondernomen.
Andere wijzigingen, zoals van het op de vergunning vermelde wapen of de omstandigheden waarin het mag worden gedragen, vereisen het aanvragen van een nieuwe vergunning.


10.3.11. Administratieve sancties

De wet voorziet in de mogelijkheid om de wapendrachtvergunningen te beperken, te schorsen of in te trekken. Die bevoegdheid wordt toegekend aan de gouverneur, alsook aan de minister van Justitie als hij de vergunning heeft afgegeven.

De vergunning kan in drie gevallen worden geschorst of ingetrokken :

  • als blijkt dat het dragen van het wapen de openbare orde kan verstoren;
  • als de voorwaarden waaraan het dragen van het wapen is onderworpen, niet zijn in acht genomen;
  • als de redenen die zijn ingeroepen om de wapendrachtvergunning te verkrijgen, niet langer gelden.
  • De beslissing van de gouverneur (of de minister van Justitie) tot beperking, intrekking of schorsing van de vergunning moet met redenen zijn omkleed en de omstandigheden ervan moeten worden aangegeven. Over het algemeen zal die beslissing steunen op een politieverslag, op een lopend onderzoek, of op een gerechtelijke beslissing.

    De redenen die ertoe aanleiding kunnen geven dat een wapendrachtvergunning wordt geweigerd, kunnen ook leiden tot de schorsing of de intrekking ervan.
    Het gemotiveerd advies van de bevoegde procureur des Konings moet worden ingewonnen alvorens een beslissing tot beperking, schorsing of intrekking van de vergunning wordt genomen, behalve als die maatregel op het initiatief van voornoemde procureur wordt genomen.

    De schorsing van de wapendrachtvergunning is een voorlopige maatregel die aangewezen is als de houder zich in een voorlopige toestand bevindt. Ze is beperkt in de tijd.

    De intrekking van de vergunning is aangewezen als de houder ervan zich in een definitieve toestand bevindt, bijvoorbeeld wanneer tegen de houder een maatregel houdende intrekking van de vergunning tot het voorhanden hebben van het betrokken wapen is genomen. Vanaf de betekening van de intrekking is het verboden het wapen te dragen.

    Als de betrokkene hierom vraagt, moet hij vooraf schriftelijk of mondeling worden gehoord. Hij moet in staat worden gesteld zich vooraf te verdedigen tegen de negatieve elementen waarvan hij geen kennis had (hoorrecht).
    Ingeval de gouverneur (of de minister van Justitie) besluit een wapendrachtvergunning te beperken, te schorsen of in te trekken, moet hij daarvan onverwijld aan de houder van de vergunning kennis geven bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs.

    Binnen 8 dagen te rekenen vanaf de maatregel moet de gouverneur ervoor zorgen dat die wijziging in het CWR wordt ingeschreven.

    VERWIJZINGEN

    (355) Zie in dit verband punt 9.2.6.
    (356) Artikelen 9 en 14 WW.
    (357) Artikelen 14 en 15 WW.
    (358) Artikel 14 WW.
    (359) Zie in dit verband ook punt 9.1.9.
    (360) Zie in dit verband ook punt 9.1.9.
    (361) Artikel 1 MB 16/10/08.
    (362) 1 : Antwerpen; 20 : administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad; 21 : Vlaams-Brabant; 22 : Waals-Brabant; 3 : West-Vlaanderen; 4 : Oost-Vlaanderen; 5 : Henegouwen; 6 : Luik; 7 : Limburg; 8 : Luxemburg; 9 : Namen; 0 : FOD Justitie.
    (363) De bepalingen onder punt 9 inzake wapenbezit door particulieren zijn hier eveneens van toepassing in de mate dat ze hiermee niet in tegenstrijd zijn.
    (364) Artikel 1 Waals decreet 28/06/90 en artikel 13 Vlaams decreet 24/06/91.
    (365) Artikel 12, 1° WW.