Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 11 - Bijzondere regeling voor jagers

11. Bijzondere regeling voor jagers (363)

11.1. Wie ?
11.2. Welke wapens ?
11.3. Welke handelingen ?
11.4. Model 9
11.5. Administratieve sancties
11.6. Rechten en plichten
11.7. Beëindiging van de activiteiten


11.1. Wie ?

Niemand mag op het Belgische grondgebied jagen tenzij men houder is van een jachtverlof (364).

Houders van een jachtverlof mogen lange wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is, evenals de daarbij horende munitie voorhanden hebben op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving en hun geschiktheid om veilig een vuurwapen te hanteren, zijn nagegaan (365).

Dit betekent dat jagers (d.w.z. houders van een jachtverlof) sommige vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden kunnen houden zonder vooraf een wapenbezitsvergunning aan te vragen. Zij zijn met andere woorden wat die wapens betreft vrijgesteld van de algemene vergunningsplicht, doch hieraan zijn enkele voorwaarden en verplichtingen gekoppeld.

Het jachtverlof wordt afgegeven namens het Vlaamse of het Waalse Gewest (366). Ook gelijkwaardige documenten die werden afgeleverd in een andere lidstaat van de Europese Unie (367), of een door de Minister van Justitie erkend document afgeleverd in een andere staat (368), verlenen het recht om de jacht te beoefenen (369).


11.2. Welke wapens ?

De bijzondere regeling voor jagers betreft enkel lange wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is evenals de daarbij horende munitie. Het zijn dus de jachtdecreten (en hun uitvoeringsbesluiten) van de plaats waar de jacht wordt beoefend, die bepalen met welke wapens daar mag worden gejaagd.

In Vlaanderen is dit het Vlaams jachtdecreet van 24/7/91 (370), in Wallonië is dit de oude jachtwet van 28/2/1882 (371), gewijzigd door het decreet van de Waalse Regering van 14/7/94.

Aangezien de toepassing van deze jachtdecreten plaatsgebonden is, moet men dus in het bezit zijn van een jachtverlof afgegeven door de bevoegde overheden van de plaats waar de activiteit plaatsvindt.

Doordat de jacht in België een gewestmaterie is, zijn er enkele regionale verschillen vast te stellen. Zo is het jagen met .22 karabijnen met randvuurkogelpatronen in het Vlaamse gewest niet toegestaan, in tegenstelling tot het Waalse gewest waar dit wel wordt aanvaard (372).

Ook buiten de landsgrenzen kan dit voor verschillen zorgen. Zo kan iemand op basis van een buitenlands jachtverlof een jachtwapen kopen in België, in zoverre hij kan bewijzen dat het wapen is toegelaten als jachtwapen in het land dat het jachtverlof heeft uitgereikt. Dit geldt echter niet voor korte vuurwapens die in Duitsland bijvoorbeeld wel zijn toegelaten voor de jacht.

In Wallonië mogen enkel volgende vuurwapens worden gebruikt voor het uitoefenen van de jacht (373) :
1° geweren met gladde loop (lopen) met een minimum en maximum kaliber van respectievelijk "24" en "12";
2° karabijnen met getrokken loop (lopen) met een nominaal kaliber van ten minste 22 of 5,58 mm;
3° gemengde wapens met hetzelfde kaliber dan dit vermeld in de punten 1° en 2°.

Worden evenwel verboden :
1° de automatische geweren;
2° de semi-automatische geweren waarvan het magazijn meer dan twee patronen kan bevatten;
3° de geweren voorzien van kunstmatige lichtbronnen of van voorzieningen om de prooi te verlichten;
4° de geweren voorzien van een vizier met een beeldomzetter of een elektronische beeldversterker of elk ander instrument om 's nachts te schieten;
5° de geweren voorzien van een geluiddemper.

Een bijzonder geval betreft de uitoefening van de jacht met een riotgun, meer bepaald een kort repeteerwapen met een gladde loop korter dan 60 cm en een werking met pompactie. De riotgun moet worden ingedeeld bij de geweren met gladde loop van ten minste het kaliber 24 en ten hoogste 12 en is bijgevolg toegelaten voor de jacht in Vlaanderen. Doordat de loop korter is dan 60 cm en door de beperkte « choke » (of zelfs het ontbreken ervan) heeft de hagel vanaf het verlaten van de loop een maximale spreiding, zodat de letaliteit van het schot zich situeert op circa 10 m. Op verdere afstand zal het dier niet gedood worden, doch enkel verwond. Bij de gewoonlijke gladloopgeweren die wel geschikt zijn voor de jacht wordt, afhankelijk van het geviseerde wild en de gebruikte hagelpatronen, gevuurd vanaf circa 20 m à 35 m, waarbij het de bedoeling is om een dodelijk schot af te vuren. Het gebruik van de riotgun voor de jacht lijkt dan ook in strijd met de ethische principes van het jagen.

Verder zijn in het Waals gewest bij het jagen op de hierna genoemde soorten en categorieën wild slechts de genoemde vuurwapens en munitie toegelaten :

  • Voor het schieten van het grof wild kunnen alleen karabijnkogels gebruikt worden, waarvan het nominale kaliber minstens 6,5 mm is en die op 100 m van de loopmond een energie kleiner dan 2 200 joules ontwikkelen.

    In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende kogels worden gebruikt :
    1° voor de bersjacht of de loerjacht op de reebok : karabijnkogels waarvan het nominale kaliber minstens 5,58 mm is en die op 100 m van de loopmond een energie kleiner dan 980 joules ontwikkelen;
    2° voor de drijfjacht op grof wild : kogelpatronen voor gladde loop van het kaliber 12, 16 en 20, die op de inslag deformeerbaar zijn (374).
    - Voor het schieten op het klein wild en op het waterwild kunnen alleen hagelpatronen gebruikt worden, waarvan de doorsnede van de korrelgrootte van de hagel kleiner dan of gelijk aan 3,5 mm is.

    Voor het schieten van het waterwild is het gebruik van hagelpatronen verboden op minder dan 50 meter van de moerassen, meren, vijvers, bekkens, waterlopen, rivieren en kanalen. Het gebruik van hagelpatronen met nikkel blijft toegelaten (375).

  • Voor het schieten op het overige wild kunnen alleen de volgende munities worden gebruikt :
    1° hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede gelijk aan of kleiner dan 4 mm is.
    2° patronen van geweer of karabijn (376).
  • Voor het schieten van wild met een karabijn is het verboden de volgende kogels te gebruiken :
    1° militaire kogels, met inbegrip van fosfor- en lichtspoorkogels;
    2° patronen met volmantel;
    3° kogels die niet vervormen bij het treffen (377).

In Vlaanderen worden enkel volgende geweren en bijhorende munitie toegelaten voor de jacht op het grondgebied van het Vlaams Gewest : (378)
1° geweren met gladde loop van tenminste het kaliber 24 en ten hoogste 12;
2° geweren met getrokken loop met een nominaal kaliber van minstens .22 Engelse duim of 5,6 mm;
3° geweren met gladde en getrokken loop die elk beantwoorden aan de in dit artikel gestelde grenzen voor een gladde respectievelijk getrokken loop.

Verder zijn in het Vlaams Gewest voor de uitoefening van de jacht met vuurwapens volgende vuurwapens en middelen verboden : (379)
1° semi-automatische geweren waarvan het magazijn meer dan twee patronen kan bevatten;
2° geweren, voorzien van kunstmatige lichtbronnen of voorzieningen om de prooi te verlichten;
3° geweren, voorzien van een vizier met beeldomzetter of een elektronische beeldversterker of elk ander instrument om 's nachts te schieten;
4° geweren, voorzien van een geluidsdemper;
5° pistolen, automatische pistolen, machinepistolen en revolvers;
6° machinegeweren.

Tenslotte is in het Vlaams gewest bij het jagen met geweren op de hierna opgesomde soorten en categorieën wild slechts volgende soorten munitie toegestaan : (380)
a) jacht op grofwild :
1° voor reewild : kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de normale trefenergie minstens 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt;
2° voor overig grof wild (hert, everzwijn, moeflon, damhert) : kogelpatronen voor getrokken loop met een nominaal kaliber, uitgedrukt of omgerekend in millimeter niet kleiner dan 6,5 mm, en waarvan de normale trefenergie bovendien minstens 2.200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt;
3° Voor alle grof wild : voor de drijfjacht op grof wild zijn kogelpatronen voor gladde loop van het kaliber 20, 16 en 12 eveneens toegestaan.
b) Jacht op klein wild, waterwild : hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 4 mm niet overschrijdt.
c) Jacht op overig wild : hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 4 mm niet overschrijdt of kogelpatronen (...).
Van de hier vermelde kogelpatronen worden uitgesloten : randvuurkogelpatronen, fosfor- of lichtspoorkogels, patronen met een volmantel en kogels die niet vervormen bij het treffen.

Ten slotte is het gebruik van loodhagel en zinkhagel verboden (381).


11.3. Welke handelingen?

Jagers kunnen in het kader van het gunstige uitzonderingsregime waaronder ze vallen bepaalde wapens toegelaten daar waar het jachtverlof geldig is, voorhanden houden, overdragen, er munitie voor aankopen (382) en dragen. Alle andere regels (bv. aangaande het vervoer en de nummering en registratie van vergunningsplichtige wapens) blijven evenwel onverminderd van toepassing.

Ze mogen de onder punt 11.2 bedoelde wapens uitsluitend gebruiken binnen het kader van hun jachtactiviteiten. Ook hier zal de gewestelijke reglementering inzake de jacht bepalen welke handelingen wel en welke niet binnen het betreffende gewest toegestaan zijn.

Houders van een jachtverlof kunnen - zonder over een wapendrachtvergunning te beschikken - hun wapens dragen tijdens de jacht, d.w.z. op het jachtterrein en langs de jachtterreinen om zich te verplaatsen.

Zij mogen tevens de wapens vervoeren indien zij de veiligheidsvoorschiften naleven en dit tussen hun woonplaats en hun verblijfplaats, of tussen hun woon-of verblijfplaats (383) en het jachtterrein, of tussen hun woon- of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen de vuurwapens ongeladen verpakt te zijn in een afgesloten koffer of voorzien te zijn van een trekkerslot of een equivalente beveiliging (384).

Verder moet elke particulier die een vergunningsplichtig wapen vervoert (d.w.z. alleen wanneer men het over de weg in een voertuig verplaatst) steeds de volgende voorschriften naleven : (385)
1° het wapen is ongeladen en de vervoerde magazijnen zijn leeg;
2° het wapen is onbruikbaar gemaakt door een veiligheidsslot of door het wegnemen van een voor zijn werking essentieel onderdeel;
3° het wapen wordt buiten het zicht en buiten handbereik vervoerd, in een geschikte en slotvaste koffer of etui;
4° de munitie wordt veilig verpakt vervoerd in een geschikte en slotvaste koffer of etui;
5° als het vervoer met de wagen gebeurt, worden de koffers of de etuis met het wapen en de munitie vervoerd in de slotvaste koffer van het voertuig (386). Deze bepaling is niet van toepassing op het jachtterrein;
6° het voertuig blijft niet zonder toezicht achter als het geparkeerd staat met wapens erin (387).

Soms worden wapens ook per fiets, bus, trein vervoerd. De regels voor vervoer moeten dan mutatis mutandis worden toegepast.


11.4. Model 9

Houders van een jachtverlof moeten voor het voorhanden hebben of het verwerven van wapens bedoeld onder punt 11.2 geen vergunning aanvragen aangezien het jachtverlof dienst doet als vergunning tot het voorhanden hebben of tot aankoop. Evenwel moeten zij hun wapens laten registreren in het CWR.

De overdracht van vergunningsplichtige wapens aan en tussen jagers kan slechts geschieden na overlegging van hun identiteitskaart of reispas en het bewijs van hun hoedanigheid. Een bericht van overdracht en een afschrift ervan, opgemaakt volgens het model 9, worden door de overdrager binnen acht dagen na de overdracht toegezonden aan de gouverneur van de verblijfplaats van de verkrijger, of als deze laatste geen verblijfplaats in België heeft, aan het CWR. De overdrager bewaart een afschrift van het bericht van overdracht. Het andere afschrift wordt, voorzien van het registratienummer, door de gouverneur toegezonden aan de verwerver (380). Met het oog op controle is het aan te bevelen een extra kopie aan de lokale politie van diens verblijfplaats te sturen. Deze laatste verwittigt de gouverneur als de kenmerken van het wapen niet in overeenstemming zijn met de gegevens op het model 9, zodat die de nodige aanpassingen kan doen.

Als de overdracht van dergelijke wapens plaatsvindt van een jager aan een wapenhandelaar, moet laatstgenoemde het wapen inschrijven in zijn register. Middels een bericht van overdracht (model 9) moet de overdracht worden gemeld aan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de overdrager, of - als deze geen verblijfplaats in België heeft - aan het CWR. De overdrager bewaart een afschrift van het model 9 (381).

De gouverneur kan bij de verwerking van de modellen 9 bijkomende informatie vragen die nodig is met het oog op een correcte registratie en een verificatie van de juistheid van de gegevens. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het opvragen van een kopie van de identiteitskaart en het jachtverlof. Van zodra de gouverneur het bericht van overdracht ontvangt, registreert hij het model 9 in het CWR en stuurt het model 9 met registratienummer aan de verwerver. Hier is het eveneens aan te bevelen om een extra kopie aan de lokale politie van diens verblijfplaats te sturen. De lokale politie kan dan de identiteit van de wapenbezitter alsook de kenmerken van het wapen controleren.


11.5. Administratieve sancties

Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de jager (en de Minister van Justitie indien de jager geen verblijfplaats in België heeft) het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een gemotiveerde beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft (390).

De procureur des Konings zal hiertoe beroep doen op de lokale politie om een onderzoek te voeren.

De schorsing of intrekking van het recht om een wapen voorhanden te hebben is noodzakelijk voor diegenen die een vergunningsplichtig wapen mogen voorhanden hebben zonder hiervoor over een vergunning te beschikken, indien het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren. Het betreft dus onder meer de jagers op basis van hun jachtverlof.

De schorsing is ook hier als maatregel aangewezen als de houder van het jachtverlof zich voorlopig in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde. De schorsing is beperkt in de tijd. Indien ze langer duurt dan één jaar verdient het aanbeveling het recht om het wapen voorhanden te hebben in te trekken.

De intrekking is noodzakelijk wanneer de houder van het jachtverlof zich voor een langere tijd in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde.

Zowel de intrekking als de schorsing hebben vanaf de kennisgeving ervan aan de houder van het jachtverlof het verbod tot het voorhanden hebben van het betreffende wapen tot gevolg.

De kennisgeving van de intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de houder van de vergunning gebeurt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs (391).

De gouverneur geeft kennis van zijn intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de lokale politie van de verblijfplaats van de betrokkene, die hem op de hoogte houdt van de uitvoering van zijn beslissing. Op die manier waakt de lokale politiedienst over de correcte uitvoering van de beslissing van de gouverneur.

Alvorens de beslissing te nemen, moet men de persoon de mogelijkheid geven om te reageren (hoorrecht).

De intrekking- of schorsingsbeslissing vermeldt de termijnen waarbinnen het wapen in bewaring moet worden gegeven bij een erkend persoon of moet worden overgedragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben (392).

Binnen 8 dagen te rekenen vanaf de inbewaringgeving of overdracht van het betreffende wapen moet de persoon die het in bewaring heeft gekregen of aan wie het is overgedragen de gouverneur ervan in kennis stellen dat het wapen bij hem in bewaring is gegeven of aan hem is overgedragen. Dit gebeurt door middel van een formulier dat de gouverneur bij de kennisgeving voegt (393).

Er moet steeds een formulier zijn en het onderscheid tussen de bewaargeving en de overdracht van het wapen moet er duidelijk uit blijken. In beide gevallen gaat het feitelijke bezit van het wapen over naar de overnemer. Nochtans kan de verhouding tussen partijen hen ertoe verplichten het wapen terug te geven (bij bewaargeving), dan wel een definitieve overdracht beogen. In alle gevallen moeten de nodige formaliteiten worden nageleefd. Bij overdracht van het bezit van het wapen aan een wapenhandelaar bijvoorbeeld moet het wapen worden ingeschreven in zijn registers; bij overdracht aan een jager moet een model 9 worden opgesteld, enz. De invulling van het formulier van inbewaringgeving of overdracht ontslaat de betrokken partijen dus niet van hun andere wettelijke verplichtingen ter zake.

De schorsings- of intrekkingsbeslissing kan de arrondissementscommissaris ertoe aanzetten om tevens over te gaan tot de schorsing of de intrekking van het huidige jachtverlof of de weigering van een nieuw jachtverlof, doch dit is niet noodzakelijk zo. Op basis van de motieven die aan de grondslag liggen van de schorsing of intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van het wapen zal de arrondissementscommissaris onafhankelijk beslissen of zij tevens een intrekking, schorsing of weigering van het jachtverlof kunnen rechtvaardigen.

De gouverneur brengt de bevoegde arrondissementscommissaris dan ook steeds op de hoogte van zijn beslissing tot schorsing of intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van het wapen.


11.6. Rechten en plichten

De bepalingen inzake veiligheidsmaatregelen, het gebruik en het lenen van een wapen en het vervoer zoals deze werden opgenomen onder punten 9.2.3 tot 9.2.6, blijven ook hier onverminderd van toepassing.


11.7. Beëindiging van de activiteiten

De jager die een vuurwapen heeft verkregen op model 9 is gerechtigd dat wapen, na het vervallen van de geldigheid van het jachtverlof, gedurende drie jaar verder voorhanden te hebben, evenwel zonder er nog munitie voor voorhanden te mogen hebben. Het hervatten van de jachtactiviteiten schorst deze periode (394).

De jager moet binnen een periode van één maand de munitie die hij nog voorhanden houdt overdragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gerechtigd is deze munitie voorhanden te hebben. Na deze periode geldt de uitzondering van artikel 12 niet meer voor de jager.

Bij de beëindiging van zijn activiteiten beschikt de jager over een periode van (drie jaar en) drie maanden om een vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen aan te vragen. Hij mag het wapen voorlopig voorhanden hebben totdat over de aanvraag is beslist, behalve als bij een met redenen omklede beslissing van de betrokken overheid blijkt dat het voorhanden hebben ervan de openbare orde kan verstoren (395).

VERWIJZINGEN

(355) De bepalingen onder punt 9 inzake wapenbezit door particulieren zijn hier eveneens van toepassing in de mate dat ze hiermee niet in tegenstrijd zijn.
(364) Artikel 1 Waals decreet 28/06/90 en artikel 13 Vlaams decreet 24/06/91.
(365) Artikel 12, 1° WW.
(366) In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest mag niet gejaagd worden.
(367) Het betreft meer bepaald de 15 oude lidstaten van de EU (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Denemarken, Ierland, Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk en Zweden), met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland doch met inbegrip van IJsland, Noorwegen en Zwitserland.
(368) Zo werden recent nog documenten van de republiek Kameroen erkend.
(369) Artikel 2, 17° WW.
(370 Alsook het besluit van 28/10/87 van de Vlaamse Executieve.
(371) Alsook het besluit van 22/09/05 van de Waalse Regering.
(372) Artikel 3, § 2 besluit Vlaamse Executieve 28/10/87.
(373) Artikel 1 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering.
(374) Artikel 2 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering.
(375) Artikel 3 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering.
(376) Artikel 4 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering.
(377) Artikel 5 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering.
(378) Artikel 2 van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse Executieve.
(379) Artikel 1 van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse Executieve.
(380) Artikel 3 van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse Executieve.
(381) Artikel 3bis van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse Executieve.
(382) De aankoop van munitie door een jager kan enkel plaatsvinden op vertoon van zijn jachtverlof en model 9 en uitsluitend wat betreft de munitie die geschikt is voor het erop vermelde wapen.
(383) In dit geval mag de term « verblijfplaats » ruim worden geïnterpreteerd : het mag ook gaan over een tijdelijke verblijfplaats, b.v. een hotel waar de jager of sportschutter verblijft tijdens een weekend voor een jachtpartij of een schietwedstrijd op verplaatsing (in dit hotel moeten de wapens dan wel worden bewaard alsof het een woning betrof).
(384) Artikel 21, 2° WW.
(385) Artikel 15 KB 24/04/97. Zie in dit verband punt 9.2.2.
(386) Voertuigen die niet beschikken over een aparte afsluitbare koffer moeten als geheel slotvast zijn en de wapens en munitie moeten er onzichtbaar in worden opgeborgen.
(387) Toezicht kan ook gebeuren vanuit een raam of met een camera.
(388) Artikel 25, § 1 KB 20/09/91.
(389) Artikel 25, § 2 KB 20/09/91.
(390) Artikel 13, eerste lid WW.
(391) Artikel 14, eerste lid KB 20/09/91.
(392) Artikel 14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW.
(393) Artikel 14, derde lid KB 20/09/91.
(394) Artikel 13, tweede lid WW.
(395) Artikel 17, 2de lid, WW