Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 15 - Occasionele schutters


15. Occasionele schutters

Onder de wet van 1933 bestond geen regeling die toeliet dat vroegere « verweer- » of « oorlogs- » wapens occasioneel voorhanden werden gehouden op een schietstand. Wel konden « jacht- en sportwapens » worden ter beschikking gesteld op een schietstand aan occasionele schutters.
Na de invoering van de Wapenwet van 8 juni 2006 werden alle vuurwapens vergunningsplichtig. Het was dus niet langer mogelijk dat een persoon die geen houder is van een vergunning, een attest van de gouverneur, een jachtverlof of een (voorlopige) sportschutterslicentie een wapen hanteert op een erkende schietstand. Daardoor was het onmogelijk geworden om bezoekers van een opendeurdag kennis te laten maken met de schietsport zonder dat vooraf al een zwaar administratief parcours wordt afgelegd. Ook bedrijfsevenementen en sommige traditionele activiteiten (bijvoorbeeld kleischietingen) dreigden onmogelijk te worden.

Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om in de wet een regeling uit te werken voor de « occasionele schutters » (430).


15.1. Voorwaarden

De regeling is van toepassing op meerderjarige personen die hoogstens één keer per kalenderjaar een vergunningsplichtig wapen voorhanden hebben op een erkende schietstand. De voorwaarden opgelegd door artikel 5 van het KB van 13/7/2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden, gewijzigd op 16/10/08, dienen te worden nageleefd.

Het occasioneel schieten is mogelijk onder de volgende voorwaarden :

  • identiteit van de occasionele schutter (naam, adres);
  • de gegevens van de schietstand;
  • de dag waarop geschoten wordt;
  • die dagkaart is gedurende een volledige dag (van 0 uur tot 23 u. 59) geldig op de schietstand die ze heeft uitgereikt;
  • de dagkaarten worden door de exploitant doorlopend genummerd;
  • ze worden opgesteld in drie exemplaren :
    • één exemplaar wordt bezorgd aan de schutter;
    • een ander exemplaar wordt bijgehouden door de uitbater van de schietstand, die zo kan bewijzen dat de dagkaarten doorlopend genummerd zijn. De fraude die er zou in kunnen bestaan om dagkaarten weg te gooien kan op deze manier worden tegengegaan;
    • een ander exemplaar moet binnen zeven dagen worden verstuurd naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de occasionele schutter. Op die manier kan de gouverneur controleren of de betrokkene effectief slechts één keer per jaar gebruik maakte van de dagkaart. In geval de occasionele schutter geen verblijfplaats heeft in België, wordt de dagkaart verstuurd naar de Federale Wapendienst, die in dat geval zal controleren of betrokkene effectief slechts één keer per jaar gebruik maakt van de dagkaart;
  • de occasionele schutter moet worden begeleid door een persoon die overeenkomstig de wapenwet zou vrijgesteld zijn van het afleggen van een praktische proef indien hij een wapenvergunning zou vragen. Het betreft de volgende personen :
    • de houders van een sportschutterslicentie (een voorlopige sportschutterslicentie is niet voldoende);
    • de houders van een jachtverlof;
    • de personen die een door de Koning bepaalde ervaring met vuurwapens hebben (bijvoorbeeld regelmatige activiteiten gedurende meer dan 6 maanden in de loop van de laatste 5 jaar) (432).
  • De begeleider moet vooraf de op de schietstand geldende veiligheidsregels uitleggen, evenals de werking van het wapen. Hij stelt het wapen ter beschikking en ziet erop toe dat het wapen veilig gemanipuleerd wordt. Na het occasioneel schieten neemt de begeleider het wapen terug in ontvangst.

    De occasionele schutter moet uitsluitend houder zijn van de dagkaart. Hij moet geen enkel ander document voorleggen. Het is ook niet vereist dat een uittreksel uit het strafregister wordt bezorgd aan de uitbater van de schietstand.

    De nieuwe regeling is geschikt om een meerderjarige particulier één keer per jaar kennis te laten maken met het schieten tijdens een opendeurdag of een ander evenement. Als de betrokkene zich verder in het schieten wenst te bekwamen, dan kan hij via een club een voorlopige sportschutterslicentie aanvragen. Dit zal vaak vanuit administratief oogpunt de eenvoudigste oplossing zijn om zich verder in het sportschieten te bekwamen. Er is tevens de mogelijkheid om een attest aan te vragen via de gouverneur om voorlopig te kunnen schieten ter voorbereiding op de praktische proef die moet worden afgelegd om een wapenvergunning te verkrijgen.

    De dagkaarten kunnen door de uitbaters van de schietstanden bij schietsportfederaties worden besteld of worden gedownload van de provinciale websites.

    Als op deze regeling een inbreuk wordt vastgesteld, dan is dit niet alleen een misdrijf in hoofde van zowel de schutter als de organisator, maar dan kan de gouverneur ook een administratieve sanctie treffen tegen de uitbater van de schietstand (433). Dit is eveneens mogelijk tegen de betrokken schutter : hetzij op het vlak van de vergunningen of het recht op wapenbezit dat hij al mocht hebben, hetzij door hem in de toekomst eventueel door hem gevraagde vergunningen te weigeren.

    VERWIJZINGEN

    (430) Artikel 12, 5° WW.
    (431) De schietsportfederaties en de provinciale wapendiensten hebben modellen van de dagkaart verspreid over de aangesloten schietstanden. Deze laatste geven de dagkaart af aan de occasioneel schutter.
    (432) Ook buitenlanders met een buitenlandse vergunning kunnen in aanmerking komen om op te treden als begeleider.
    (433) Er dient rekening mee te worden gehouden of de uitbater van de schietstand redelijkerwijze op de hoogte kon zijn van het feit dat hij meewerkt aan de overtreding. Indien een schutter op verschillende schietstanden schiet binnen een jaar, kan de uitbater van een stand dat niet weten. Als echter de uitbater van de stand zelf toelaat dat eenzelfde schutter meer dan één keer per jaar schiet, is hij wel op de hoogte van de inbreuk.