Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 19 - Bijzonderheden over munitie en onderdelen


19. Bijzonderheden over munitie en onderdelen

19.1. Onderdelen en hulpstukken
19.2. Munitie


19.1. Onderdelen en hulpstukken (458)

De wettelijke regeling die geldt voor de vuurwapens is ook van toepassing op bepaalde onmisbare onderdelen van die wapens, te weten de onderdelen die onderworpen zijn aan de wettelijke proef, in overeenstemming met de wet van 24/5/1888 houdende regeling van de toestand van de Proefbank en het KB van 30/6/24 houdende het algemeen reglement van de Proefbank.

Het gaat om de volgende onderdelen :

  • de karkas;
  • de loop;
  • de cilinder (trommel) van revolvers;
  • de kulas en de schuif van pistolen;
  • de sluit- en grendelstukken;
  • de bascule.

Daarbij worden ook de hulpstukken gevoegd die, aangebracht op het vuurwapen, tot gevolg hebben dat het wapen in een andere categorie wordt ondergebracht. De bekendste voorbeelden daarvan, de geluidsdempers, de mechanismen die een halfautomatisch wapen omvormen tot een automatisch wapen en de op een wapen monteerbare lichtversterkers (of nachtkijkers), die van het wapen als geheel een verboden wapen maken, zijn nu echter ook als verboden tuigen in artikel 3, § 1, 15° WW vermeld.

Die onderdelen en hulpstukken zijn onderworpen aan dezelfde regeling dan de wapens waarop zij betrekking hebben.

Bijvoorbeeld :
• de overdracht van de loop van een vuurwapen is onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die van het gehele wapen;
• de opslagplaats van karkassen van vuurwapens is onderworpen aan een van de wettige redenen bedoeld in artikel 16 WW.

Het spreekt vanzelf dat voor het dragen van die onderdelen en hulpstukken geen wapendrachtvergunning moet worden afgegeven, maar er dient wel steeds een wettige reden te kunnen worden opgegeven voor het dragen ervan.

De hoger omschreven procedure voor de afgifte van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen is van toepassing.

De erkende personen houden voor de onderdelen en hulpstukken een register bij in de vorm van het model D.

De onderdelen en de hulpstukken vallen onder de retributieregeling, behalve wanneer het een kosteloze inschrijving betreft.

De omwisseling van een defect onderdeel gebeurt voortaan op de volgende wijze :
1. aanvraag van een vergunning om het vervangstuk aan te kopen bij de gouverneur, die de behandeling start zonder een retributie te vorderen;
2. de gewone procedure wordt gevolgd, maar voor de afronding daarvan wordt een attest voorgelegd waaruit blijkt dat het te vervangen defect onderdeel vernietigd is door de Proefbank;
3. de gouverneur voegt het vervangstuk toe op de bestaande wapenvergunning. Er is dus geen retributie verschuldigd.
4. alleen als het vervangen onderdeel wordt behouden of overgedragen (en dus geen attest van vernietiging wordt voorgelegd), zal nog een nieuwe vergunning worden afgegeven, uiteraard met inning van retributie.


19.2. Munitie (459)

In principe is op munitie voor vuurwapens dezelfde regeling van toepassing als die voor de wapens waarvoor ze bestemd is. Ze is ook van toepassing op bepaalde onderdelen van die munitie : de patroonhulzen en de projectielen. Dit geldt niet voor onbruikbaar gemaakte onderdelen en evenmin voor het kruit en afzonderlijke slaghoedjes.

Blanke munitie heeft geen projectiel en vaak is de huls ervan ingekort en dichtgeknepen. In dat geval mag ze niet worden gelijkgesteld met munitie en zijn de onderstaande regels er niet op van toepassing. Dit is echter wel het geval als het gewone projectiel is vervangen door een ander voorwerp dat wordt afgeschoten met behulp van een « blanke » patroon (bijvoorbeeld een voorwerp dat moet worden teruggebracht door een jachthond of een netgun).

De verkoop of de overdracht, zelfs kosteloos, van munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens is voorbehouden aan de houders van een vergunning tot het voorhanden hebben van die wapens of een daarmee gelijkgesteld document (jachtverlof of sportschutterslicentie samen met een model 9 voor het betrokken wapen, buitenlandse EVP).

Een particulier kan slechts munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens kopen voor het wapen waarvoor hem een vergunning tot voorhanden hebben is verleend of dat hij voorhanden houdt op basis van een gelijkgesteld document én dat werd geregistreerd met een model 9.

Op dezelfde wijze kan een particulier geen munitie verwerven als zijn vergunning niet geldig is voor het verkrijgen van munitie.

De overdracht van munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens is onderworpen aan de inschrijving in een register van het model C.

Op een schietstand mag munitie worden verkocht aan de leden van de schietclub op voorwaarde dat de uitbater van de schietstand de daartoe vereiste erkenning voor de uitbating van een schietstand bezit. Ook de uitbater van de schietstand dient een register model C bij te houden voor de munitie die hij mag verkopen onder de voorwaarden van het KB 13/7/00.

In overeenstemming met de bijzondere reglementering die op hen van toepassing is, maken bepaalde politiediensten gebruik van munitie die in de zin van artikel 22, § 2 WW verboden is. Die munitie mag door een wapenhandelaar worden opgeslagen nadat zij door de betrokken instantie is besteld; met betrekking tot die munitie moet op het register model C worden voorzien in een speciale rubriek.

VERWIJZINGEN

(446) Artikel 33 WW.
(448) Artikel 22 WW.