Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 20 - Toezicht en straffen


20. Toezicht en straffen

20.1. Bevoegde overheden
20.2. Straffen

De Wapenwetgeving maakt deel uit van het reglementair strafrecht. Dat wil zeggen dat ze een geheel van administratieve regels omvat, waarvan de naleving door het strafrecht wordt afgedwongen. Dit betekent dat ze de kenmerken van beide rechtstakken combineert, wat bijzondere gevolgen heeft.
Zo moeten de politiediensten niet alleen inbreuken op de Wapenwet opsporen en vaststellen, maar ook preventief optreden en de administratieve overheid informeren met het oog op de vrijwaring van de openbare orde. De gerechtelijke overheid mag niet uit het oog verliezen dat deze administratieve taak even belangrijk is en onderworpen is aan een even strikte motiveringsplicht. De administratieve overheid moet, om haar taak naar behoren te kunnen uitoefenen, kennis krijgen van alle nuttige gerechtelijke informatie die niet onder het geheim van het onderzoek of het beroepsgeheim valt.


20.1. Bevoegde overheden

Gelet op de technische aard van de wapenwetgeving zijn naast de gewone politiediensten ook enkele bijzondere overheden opgenomen in de lijst van de diensten die bevoegd zijn om toe te zien op de naleving ervan (460).

Het betreft :

  • de lokale en federale politie;
  • de douane;
  • de directeur van de Proefbank en zijn aangewezen medewerkers;
  • de inspecteurs en controleurs van springstoffen;
  • de ambtenaren van de Economische Inspectie.

Het spreekt voor zich dat al deze diensten zich concentreren op het opsporen van inbreuken op het vlak van hun specialisatie. Toch zijn ze bevoegd om alle inbreuken op de wapenwetgeving vast te stellen.

De betrokken ambtenaren mogen zich in tegenstelling tot vroeger niet meer te allen tijde toegang verschaffen tot de plaatsen waar erkende personen hun activiteiten uitoefenen. Zij moeten voortaan dus de algemene regels betreffende huiszoeking volgen.

Wanneer ze een controle uitvoeren, mogen ze uiteraard eisen dat hen alle papieren en voorwerpen die zich bevinden op de plaatsen waar erkende personen hun activiteiten uitoefenen, worden voorgelegd.

In het kader van hun preventief optreden voeren de leden van de voornoemde diensten die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben op verzoek van de gouverneur of op eigen initiatief regelmatig controles uit, zowel bij erkende personen als bij particulieren.

Dat de federale politie, die immers daartoe betere middelen heeft, in het bijzonder belast is met het toezicht op de wapenhandelaars en de wapenfabrikanten, wil niet zeggen dat de andere bevoegde diensten geen controles mogen of moeten uitvoeren als ze daartoe verzocht worden of zelf het initiatief willen nemen.


20.2. Straffen

De regelgeving bevat slechts één algemene strafbepaling (461) voor alle inbreuken op de Wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten. Ze voorziet in een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en/of een geldboete van 100 tot 25.000 euro.

De bepaling bevat een specifieke strafbaarstelling voor wie bewust onjuiste verklaringen heeft afgelegd met het oog op het verkrijgen van een erkenning of vergunning en voor wie van die verklaringen gebruik heeft gemaakt.

Daarnaast voorziet ze ook in twee verzwarende omstandigheden die het strafminimum op een gevangenisstraf van één jaar brengen, waardoor voorlopige hechtenis mogelijk wordt :

  • als de inbreuk wordt gepleegd door een erkend persoon (omwille van de grote vrijheid die ze genieten in ruil voor het opgewekte vertrouwen) - dit is van toepassing op alle soorten erkenningen aangezien de procedure van artikel 5 WW voor allemaal geldt;
  • als de inbreuk wordt gepleegd ten aanzien van een minderjarige (bijvoorbeeld het verkopen van een wapen aan een kind).

Over de bijkomende straf van de verbeurdverklaring, haar verplichte aard en haar gevolgen wordt gesproken op het einde van het volgende punt.

Een andere bijkomende straf kan worden opgelegd aan recidiverende erkende personen : zij kunnen worden veroordeeld hun onderneming te sluiten (462).

Uit artikel 26 WW ten slotte volgt dat ook de poging en de deelneming strafbaar zijn.

Er kan nog worden vermeld dat inbreuken op de wapenwetgeving vaak voortdurende misdrijven zijn, wat hun verjaring onmogelijk maakt zo lang ze blijven bestaan (bijvoorbeeld het bezit van een verboden wapen, het onwettig bezit van een vergunningsplichtig wapen, het nalaten de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen te nemen, het onwettig uitoefenen van een activiteit waarvoor een erkenning nodig is, zelfs meestal het onwettig vervoeren of dragen van een wapen door iemand die de gewoonte heeft een wapen bij zich te hebben). Er zijn natuurlijk ook gevallen waar de inbreuk een aflopend misdrijf is (bijvoorbeeld een illegale aan- of verkoop, het niet correct invullen van een document, het verstrekken van foute gegevens, het organiseren van een wapenbeurs zonder toestemming).

VERWIJZINGEN

(450) Artikel 23 WW.
(451) Artikel 25 WW.