Omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving - hoofdstuk 21 - inbeslagname van wapens


21. Inbeslagname van wapens

21.1. Gerechtelijke inbeslagname en administratieve inbeslagname
21.2. Verwittiging van de gouverneur en administratieve sancties
21.3. Model 10
21.4. Vrijwillige afstand en tijdelijke bewaargeving van een wapen zonder dat er sprake is van een misdrijf
21.5. Onderzoek van wapens door het NICC en private experts
21.6. Teruggave
21.7. Verbeurdverklaring


21.1. Gerechtelijke inbeslagname en administratieve inbeslagname

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de gerechtelijke inbeslagname (463) van een wapen, die plaatsvindt nadat de bevoegde overheid een misdrijf heeft vastgesteld, en de administratieve inbeslagname (464), die preventief gebeurt met het oog op de vrijwaring van de openbare orde. De gerechtelijke inbeslagname kan betrekking hebben op alle soorten wapens, de administratieve alleen op vuurwapens (en niet-vuurwapens die projectielen kunnen afschieten), munitie en documenten die er betrekking op hebben. In beide gevallen gelden de hiernavolgende paragrafen.

Waar het duidelijk is in welke gevallen een gerechtelijke inbeslagname mogelijk is, bestaat er soms discussie over de omstandigheden waarin men preventief mag optreden. Artikel 28 WW voorziet in 2 gevallen :

  • de tijdelijke sluiting en ontruiming van wapenopslagplaatsen (door de burgemeester of de gouverneur) bij dreigend gevaar voor de openbare orde (er werd vooral gedacht aan oproer), waarbij de eigenaar van de wapens in principe niet persoonlijk wordt geviseerd en er bijgevolg geen administratieve sancties overwogen moeten worden (465);
  • de eigenlijke administratieve inbeslagname van wapens (door officieren van gerechtelijke of administratieve politie), daarin ook begrepen vrij verkrijgbare niet-vuurwapens die projectielen kunnen afschieten, wanneer het gevaar voor de openbare orde uit gaat van de wapens zelf of van de bezitter ervan. In dat geval moet de gouverneur worden verwittigd omdat een sanctie aangewezen kan zijn en omdat een dergelijke aantasting van het eigendomsrecht zo snel mogelijk nader moet worden onderzocht en het voorwerp moet uitmaken van een gemotiveerde beslissing (466).

De administratieve inbeslagname op basis van artikel 28, § 2 WW moet ook worden onderscheiden van een preventief optreden op basis van artikel 30 van de Wet op het Politieambt (WPA). In dat laatste kader, dat echter alleen op openbare plaatsen kan worden toegepast, is de inbeslagname (die hier « onttrekking » wordt geheten) van eender welk wapen mogelijk. Hier worden de wapens zo lang als noodzakelijk in beslag genomen en dan gedurende een bepaalde tijd gewoon ter beschikking van de eigenaar gehouden, zonder dat de gouverneur hoeft tussen te komen.

In de praktijk zullen artikel 28, § 2 WW en artikel 30 WPA vaak tegelijk kunnen worden toegepast. De politiediensten hebben dan de mogelijkheid te kiezen welke procedure ze volgen. Als er is voldaan aan de voorwaarden van de beide bepalingen (vuurwapens, openbare plaats), dan moet de keuze duidelijk worden aangegeven in het op te stellen proces-verbaal. Telkens als een preventieve maatregel zich opdringt ten aanzien van een wapenbezitter, zal artikel 28, § 2 WW de voorkeur genieten.

Ook de combinatie van een gerechtelijk en een administratief beslag zal vaak voorkomen. In dat geval mag niet uit het oog worden verloren dat ze niet dezelfde finaliteit hebben en dat een beslissing binnen het ene kader niet noodzakelijk een beslissing in het andere kader tot gevolg heeft. Een goede communicatie tussen de verschillende bevoegde overheden is dan van essentieel belang; daarom schrijft de wet ze uitdrukkelijk voor (467).


21.2. Verwittiging van de gouverneur en administratieve sancties

Bij een eigenlijke administratieve inbeslagname van vuurwapens of vergunningsplichtige niet-vuurwapens in het kader van artikel 28, § 2 WW wordt de gouverneur van de verblijfplaats van de betrokkene onmiddellijk op de hoogte gesteld en voldoende geïnformeerd, zodat hij eventueel de bijhorende vergunningen (of het recht tot voorhanden hebben van de wapens) kan schorsen of intrekken volgens de geldende procedure.

De gouverneur moet zijn beslissing binnen drie maanden nemen. Slaagt hij hier niet in of oordeelt hij dat een sanctie niet aangewezen is, dan worden de wapens teruggegeven.


21.3. Model 10

De politiediensten die een wapen in beslag nemen, moeten een formulier van inbeslagname (model 10) invullen om het CWR in kennis te stellen van de bestemming van de in beslag genomen wapens. Het formulier moet voldoende gedetailleerd worden ingevuld. De beslagene moet een ontvangstbewijs krijgen en men mag niet vergeten dat de wapens kunnen toebehoren aan een derde die niet betrokken is bij de situatie die aanleiding gaf tot de inbeslagname.

Als de wapenbezitter zijn verblijfplaats heeft in de zone van de inbeslagnemende politiedienst, moet deze, na de gegevens van dit formulier online in het CWR te hebben ingevoerd, het samen met het wapen neerleggen ter griffie. Heeft de betrokkene elders zijn verblijfplaats, dan moet de inbeslagnemende politiedienst binnen 48 uur de lokale politie van die verblijfplaats een kopie van het model 10 bezorgen, opdat die de gegevens in het CWR zou invoeren.

De griffie moet vervolgens toezien op de verdere behandeling ervan. Zodra de griffie het formulier van inbeslagname en het model 10 ontvangt en vooraleer het aan het CWR wordt toegezonden, moet in het Rijksregister de juistheid van de identiteit en van het adres van de beslagene worden nagegaan.

Alvorens het wapen terug te geven, moet de griffie in het Rijksregister nagaan of de beslagene niet van adres is veranderd.

De lokale politie van de verblijfplaats van een persoon die wapens voorhanden heeft, speelt een belangrijke rol bij de centralisatie van de gegevens over die wapens. Daarom moeten de politiediensten, ingeval zij een wapen in beslag nemen, daarvan binnen 48 uur kennis geven aan de lokale politie van de verblijfplaats van betrokkene.


21.4. Vrijwillige afstand en tijdelijke bewaargeving van een wapen zonder dat er sprake is van een misdrijf

Bovenaan het model 10 kan men ook vakjes aankruisen voor de vrijwillige afstand of de tijdelijke inbewaargeving van wapens, zonder dat er een misdrijf is vastgesteld. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een vuurwapen waarvoor geen vergunning is vereist, preventief wordt afgegeven door een lid van een familie die zich in een crisissituatie bevindt, of, wanneer het gaat om een wapen waarvoor wel een vergunning is vereist, dat wordt besloten om de procedure tot schorsing van de vergunning niet in te zetten.

Ofwel betreft het hier een vrijwillige en definitieve afstand van het wapen. In het andere geval betreft het een tijdelijke bewaargeving. Na verloop van een bepaalde periode, waarvan de duur naargelang van het geval en van de materiële mogelijkheid van neerlegging moet worden vastgelegd, moet ofwel een procedure tot schorsing of intrekking van de vergunning worden gestart, ofwel aan de eigenaar van het wapen worden gevraagd zich ervan te ontdoen, ofwel moet het worden teruggegeven.

In overeenstemming met de deontologische beginselen is de verkrijging van een vrijwillig afgestaan of een tijdelijk in bewaring gegeven wapen door een lid van een politiekorps verboden. Dergelijke wapens, ook die, welke tijdelijk in bewaring zijn gegeven maar die niet moeten worden teruggegeven aan de eigenaar, zijn uiteindelijk voor vernietiging bestemd en kunnen alleen door de directeur van de Proefbank, waarheen de wapens moeten worden gezonden, omwille van hun bijzondere waarde aan een museum van publiek recht worden bezorgd (468).

Wanneer een politiedienst in dergelijke omstandigheden een model 10 opmaakt, moet dit onmiddellijk online worden ingevoerd in het CWR indien de bewaargever zijn verblijfplaats heeft in de betrokken zone. Zoniet moet de bevoegde lokale politie binnen 48 uur een kopie van het model 10 ontvangen voor online registratie. Tevens moeten latere wijzigingen (teruggave van het wapen,...) worden geregistreerd.

Als de ontvangende politiedienst het wapen (en eventueel zijn munitie) niet of niet langer kan of wenst te bewaren, moet het worden overgebracht naar de griffie die het moet aanvaarden, zelfs al is er geen sprake van een inbreuk en wordt het bijgevolg alleen vergezeld van een model 10, zonder dat er een pv is opgesteld.


21.5. Onderzoek van wapens door het NICC en private experts

In beslag genomen wapens kunnen door de gerechtelijke overheid aan het NICC (Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie) of aan een private deskundige worden overgedragen om er onderzoek op uit te voeren.

In dat geval geldt de schriftelijke vordering als titel voor het voorhanden houden van de betrokken wapens door het NICC of de ballistisch expert. Als de noodzaak daartoe bestaat, mogen de wapens ter plaatse worden opgehaald door een aangestelde van het NICC of door de deskundige, mits het vervoer gebeurt op een discrete en veilige wijze. De wapens moeten onzichtbaar, ongeladen, verpakt, gelabeld en buiten handbereik worden vervoerd, samen met de voormelde schriftelijke vordering.

Het onderzoek van de wapens en hun bewaring moeten eveneens gebeuren op een discrete en veilige wijze. Een kluis of wapenkast zijn noodzakelijk en een alarmsysteem is ten zeerste aanbevolen. Eventuele munitie moet apart worden bewaard.


21.6. Teruggave

Als de gerechtelijke overheid van oordeel is dat in beslag genomen vuurwapens of vergunningsplichtige niet-vuurwapens mogen of moeten worden teruggegeven aan hun rechtmatige eigenaar, dan stelt zij de bevoegde gouverneur hiervan op de hoogte, zodat deze eventueel kan waarschuwen dat de bij de wapens horende vergunningen werden geschorst of ingetrokken en zodat hij minstens op de hoogte is van het feit dat de betrokkene terug in het bezit zal komen van zijn wapens.

Als de gouverneur geen bezwaar uit binnen 8 dagen, worden de wapens aan de eigenaar terugbezorgd door toedoen van de lokale politie van diens verblijfplaats, zodat ook deze op de hoogte is en de wapens opnieuw als actief kan opnemen in het CWR.


21.7. Verbeurdverklaring

Een gerechtelijk beslag kan ook uitlopen op een veroordeling van de betrokkene door de strafrechter. Als hij schuldig is aan een inbreuk op de Wapenwet of haar uitvoeringsbesluiten is de verbeurdverklaring van de wapens die het voorwerp van het misdrijf uitmaakten, verplicht, tenzij het een inbreuk betreft op de regels inzake de vaststelling van het verkrijgen, de verkoop, de overdracht en het voorhanden hebben van vuurwapens. In de praktijk gaat het dan vooral over de registerplicht van de erkende personen en over de plichten op het vlak van vergunningen en modellen 9 bij particulieren (469).

Verbeurdverklaarde wapens moeten door de griffie naar de Proefbank worden gezonden om er te worden vernietigd (470). De kosten zijn ten laste van de veroordeelde. De directeur van de Proefbank kan met toestemming van de minister van Justitie beslissen om bepaalde wapens niet te vernietigen omwille van historische, wetenschappelijke of didactische redenen. In dat geval worden de betrokken wapens geschonken aan een door de minister aangeduid museum van publiek recht, een wetenschappelijke instelling of een politiedienst.

In de praktijk worden veel inbreuken op de Wapenwet niet voor de strafrechter gebracht, maar worden ze door het parket afgehandeld met een minnelijke schikking. Het is gebruikelijk dat de afstand van het betrokken wapen deel uitmaakt van die regeling. Die wapens worden geacht vrijwillig te zijn afgestaan, waardoor ze dezelfde bestemming krijgen als de verbeurdverklaarde wapens.

VERWIJZINGEN

(452) Artikelen 35 tot 39bis Sv.
(453) Artikel 28 WW.
(454) De staat vergoedt de eigenaar van de weggeruimde wapens en munitie in geval deze hem niet konden teruggegeven worden of mochten beschadigd zijn (artikel 28, § 1, tweede lid WW).
(455) Meer bepaald moet de plaatselijk bevoegde gouverneur een beslissing tot intrekking, schorsing of beperking van de erkenning en/of de vergunning nemen binnen drie maanden vanaf de uitreiking van het ontvangstbewijs bij de inbeslagname. Zoniet worden de in beslag genomen voorwerpen vrijgegeven en worden de erkenningen en vergunningen teruggegeven, onder voorbehoud van elk gerechtelijk beslag (artikel 28, § 2, tweede lid WW).
(456) Artikel 28, § 3 WW.
(457) Zie verder punt 21.7.
(458) Artikel 23, 3e lid WW.
(459) Artikel 24 WW.