Koninklijk besluit van 8 mei 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt

Publicatie: BS 15 mei 2013

Artikel 1. (niet opgenomen, zie gewijzigde tekst koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt)

Art. 2. (niet opgenomen, zie gewijzigde tekst koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt)

Art. 3. § 1. De aanvraag van een erkenning als verzamelaar of van een bijzondere erkenning op basis van het voorhanden hebben van vijf of meer wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn, wordt gelijkgesteld met de inschrijving van die wapens zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wapenwet. De betrokkene mag de wapens voorlopig voorhanden houden in afwachting van de beslissing van de gouverneur. Wordt de erkenning geweigerd, dan moet de betrokkene de wapens binnen acht dagen na de kennisgeving van deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend of vergund persoon, ze laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of ze afstaan voor vernietiging.
Erkende personen moeten de wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn binnen vijftien dagen na de inwerkingtreding van dit besluit inschrijven in hun registers. Erkende verzamelaars hoeven zich hierbij niet te houden aan de beperkingen opgelegd door het thema van hun verzameling.

§ 2. De registratie van de wapens die als gevolg van de
toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wapenwet, verloopt in afwijking van artikel 12, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de Wapenwet, gewijzigd door het koninklijk besluit van 29 december 2006, als volgt :
1° het wapen wordt binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voorgelegd aan de lokale politie;
2° de lokale politie gaat na of de houder meerderjarig is en geen veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4, van de Wapenwet. Is dit het geval, dan wordt het wapen op zijn naam geregistreerd en wordt hem een formulier model nr. 6 afgegeven, en een vergunningsaanvraag wordt doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur. De betrokkene mag het wapen voorhanden hebben in afwachting van de beslissing;
3° de gouverneur gaat alleen nog na of de betrokkene niet het voorwerp is van een lopende schorsing of een nog actuele intrekking van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en of er geen redenen van openbare orde bestaan die daartoe zouden leiden. Wordt de registratie geweigerd, dan moet de betrokkene het wapen binnen acht dagen na de kennisgeving van deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend of vergund persoon, het laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of het afstaan voor vernietiging.

§ 3. De wettige reden bedoeld in artikel 11, § 3, 9°, e), van de Wapenwet wordt voor de in dit besluit bedoelde wapens bewezen aan de hand van het in § 2 bedoelde formulier model nr. 6.

Art. 4. Met uitzondering van de veiligheidsmaatregelen bedoeld in zijn artikel 11, § 2, zijn de veiligheidsvoorwaarden opgelegd door het koninklijk besluit van 24 april 1997 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie niet van toepassing op de wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn.

Art. 5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.