Vraag om uitleg van de heer Patrick De Groote aan de minister van Justitie over «de overeenstemming van het type wapen met de reden waarvoor het gevraagd wordt» (nr. 5‑2892)

Informatie
Parlement: 
Senaat
Datum: 
woe, 13/03/2013
Vraagsteller: 
Patrick De Groote
Vindplaats/bron: 
Wetsartikels: 
art. 11 WW
Trefwoorden: 
recreatief schieten
Doelgroep: 
Algemeen
Sportschutters
Vraag: 

De heer Patrick De Groote (N-VA). –Op woensdag 7 november jongstleden stelde ik de minister een vraag om uitleg met betrekking tot de problematiek van de zogenaamde “babywapens” en het niet overeenstemmen van het soort wapen met de doelstelling van het bezit van het wapen.

Ik stelde toen ook dat het in het ontwerp van wapenwet aangekondigde uitvoeringsbesluit, dat de in de wet opgesomde aanvaardbare redenen voor het bezit van een wapen moet preciseren met alle nodige nuanceringen, tot op heden nog steeds niet is uitgevaardigd. Meer specifiek gaat het over de uitvoering van Artikel 11, §3, 9° : “een wettige reden opgeven voor de verwerving en het voorhanden hebben van het betrokken wapen en de munitie. Het type wapen moet overeenstemmen met de reden waarvoor het gevraagd wordt. Deze wettige redenen zijn, onder de door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen voorwaarden: a) …”

De minister van Justitie antwoordde op mijn vraag dat wel degelijk uitvoering is gegeven, met name in artikel 2 van het koninklijk besluit van 29/12/2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wapenwet staan enkele algemene regels.

Ik citeer verder: “Het is in de praktijk echter niet haalbaar om alle details in de regelgeving vast te leggen omdat elke beoordeling individueel moet gebeuren, op grond van de concrete situatie.”

Mijn kritiek dat geen uitvoering werd gegeven was evenwel gebaseerd op een arrest van de Raad van State (Arrest Raad van State van 28 juni 2012, nr. 220.040, meer specifiek randnummer 8, tweede en derde alinea op blz. VII-38.169-8/10 en 9/10).

De Raad van State heeft de weigering van gouverneurs om wapens te leveren nietig verklaard omdat het beleid niet homogeen is. De minister antwoordt mij: “dat elke beoordeling individueel moet gebeuren, op grond van de concrete situatie, terwijl de Raad van State dit de provinciegouverneurs ontzegt”.

Ik citeer opnieuw de Raad van State in hetzelfde arrest, nog steeds in dezelfde alinea: “Gelet op de wil van de wetgever om de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheden te beperken, beschikken die overheden daarbij slechts over een beperkte appreciatiemarge.” De Raad van State vernietigde overigens het besluit van de minister, die de beslissing van de gouverneur bevestigde om geen wapenvergunning te leveren omdat er geen homogeen beleid was. Met andere woorden, mocht de meerderheid van provinciegouverneurs dezelfde interpretatie bij het vergunnen van “babywapens” hebben gehad, was het oordeel anders geweest. Een dergelijke regelgeving is hoe dan ook bijzonder arbitrair en onduidelijk.

Vandaar mijn vragen:

1) Zal de minister werken aan een uitvoeringsbesluit dat de in de wet opgesomde aanvaardbare redenen voor het bezit van een wapen moet preciseren met alle nodige nuanceringen, zoals gevraagd door de wetgever en ook is opgemerkt door de Raad van State?

2) Wil de minister mij op basis van artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 uitleggen welk type wapen mag worden gebruikt voor persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen (reden c en d)?

3) Wat zijn objectieve criteria voor het lopen van een groot risico? Is dit volgens beroepscategorie? Zijn woon- of verblijfplaats bepalend of criminaliteitscijfers in een bepaalde regio? Of moet men reeds slachtoffer zijn geweest?

Worden deze criteria homogeen toegepast in alle provincies? Hoe worden ze gecoördineerd?

Antwoord: 

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. – Het is nooit de bedoeling geweest om in een koninklijk besluit criteria vast te leggen die het mogelijk maken voor elk type wapen te beslissen of het al dan niet aanvaardbaar is in het kader van om het even welke aanvraag van een vergunning om een wapen te bezitten. Dat is gewoon onmogelijk omdat deze beslissing niet uitsluitend kan afhangen van juridische elementen. Ik sta nog altijd achter mijn antwoord op de vraag waarnaar de heer De Groote verwees.

Wie aandringt op een dermate gedetailleerd koninklijk besluit, wil de vergunning verlenende overheden dwingen zich uitsluitend te baseren op de persoonlijkheid van de aanvrager, zonder enige mogelijkheid te oordelen of bepaalde wapens wel aanvaardbaar en wenselijk zijn voor de beoefening van een hobby.

Het is niet onredelijk van bepaalde vergunningverlenende overheden dat ze de verantwoordelijkheid voor het verlenen van die vergunningen voor al te gevaarlijke wapens alleen wensen te dragen als dat echt nodig is.
Wapenvergunningen voor persoonlijke verdediging worden uiterst zelden verleend.

In een rechtstaat is het gebruik van geweld immers een monopolie van de overheid. Als er toch gegronde en zwaarwichtige redenen zijn om iemand een uitzondering toe te staan, zou dit ook moeten gebeuren voor een handvuurwapen, net zoals dat voor de politie het geval is. Daarvoor zijn die wapens trouwens ontworpen.

De bevoegde overheden hebben strikte richtlijnen gekregen voor het verlenen van vergunningen voor wapens voor persoonlijke verdediging. Abstracte gegevens komen niet in aanmerking. Er moeten concrete actuele bedreigingen worden aangetoond. Geen enkele beroepscategorie komt per definitie in aanmerking.

Er moet voorrang worden gegeven aan andere mogelijke preventiemaatregelen. Bij mijn weten zijn dergelijke gevallen gelukkig zeldzaam, en doen zich hierbij geen problemen voor.

M. Patrick De Groote (N-VA).
De heer Patrick De Groote (N-VA). –Ik dank de minister voor het antwoord. Ik neem akte van haar beslissing om bij haar standpunt te blijven. Desalniettemin stelt de Raad van State duidelijk dat een aantal weigeringen te wijten is aan het beleid dat niet homogeen is.

De minister verwijst echter telkens naar het persoonlijke en gaat niet verder. Dat schept verwarring en getuigt niet van een homogeen beleid.

Commentaar: 

Opnieuw viseert de heer Patrick De Groote (N-VA) de recreatieve schutter.

De minister van Justitie herhaalt haar eerdere standpunt. Er is steeds een toetsing, geval per geval, van het daadwerkelijk bestaan van de ingeroepen wettige reden.

Daarnaast kan de overheid ook steeds wapenvergunningen intrekken indien er elementen in het dossier zijn waaruit blijkt dat er een risico is voor de openbare orde. Ook deze argumenten moeten in elk concreet dossier worden aangetoond.

Dit biedt op zich voldoende garanties voor een uniform beleid, uiteraard in de mate dat elke gouverneur bereid zou zijn om deze eenvoudige regels, zoals ze al een zevental jaar in de wet staan, toe te passen.

De praktijk is echter anders. Wij hebben bewijsstukken waaruit blijkt dat federale ambtenaren samenwerken om de toepassing van de wet uit te schakelen. Ze adviseren de gouverneurs om een eigen beleid te voeren dat inhoudt dat sommige wapens als "ongewenst" beschouwd worden. Ze baseren zich hier zelfs op een omzendbrief uit Nederland (die ondertussen zelfs aldaar ernstig is bijgesteld). Blijkbaar vinden de betrokken ambtenaren dat het beter is om buitenlandse wetgeving na te leven. Net dat wordt door de Raad van State uitdrukkelijk verboden.

Als de vraagsteller zich de moeite zou getroosten om de ondertussen meer dan 100 arresten van de Raad van State te analyseren, dan zou hij tot een genuanceerder beeld komen. Zo is het niet verbazingwekkend dat de Raad van State eist dat de wet, en niets dan de wet, wordt toegepast. Dit moet automatisch tot een homogeen beleid leiden. Dit houdt in dat de aard en type van elk wapen dat geschikt is om op een schietstand te worden gebruikt overeenstemt met de wettige reden recreatief of sportief schieten. Dit houdt echter niet in dat het voor de overheid onmogelijk zou zijn om in concrete gevallen, waar aangetoond is dat er een risico is voor de openbare orde, de vergunning te weigeren.

Toch is het uiteraard zo dat er, op basis van concrete elementen in een dossier, individuele beslissingen genomen worden die niet altijd dezelfde zijn. In deze gevallen is er echter geen sprake van een "beleid", maar van een correcte toepassing van het begrip "wettige reden" en "openbare orde" waarbij dan rekening gehouden wordt met de feiten die na het volgen van een juiste procedure worden vastgesteld.

Voor de betrokken ambtenaren gaat dit niet ver genoeg. Zij vinden het vervelend dat ze hun beslissingen moeten motiveren en alle onderzoeken moeten doen. Ze zouden liever zien dat hun grillen worden omgezet in een KB zodat ze automatisch vergunningen kunnen weigeren. Bij senator Patrick De Groote (N-VA) vonden ze dan alvast een luisterend oor.

Het voorgestelde idee is echter onbetaalbaar en onwerkbaar. Als men plots een rits wapens de facto gaat verbieden, dan moeten alle eigenaars van reeds vergunde wapens een marktconforme vergoeding krijgen. Bovendien is er nergens aangetoond dat het bezit van vergunde wapens, binnen het kader van de wapenwet, structureel problematisch is. Er is geen hoger aantal incidenten met vergunde semi-automaten, baby wapens, rambo wapens of wat dan ook dan met vergunde gewenste wapens...

Ook vanuit wetseconomisch oogpunt is het dus volstrekt zinloos om een KB te maken zoals voorgesteld door senator De Groote.