Vraag om uitleg van de heer Patrick De Groote aan de minister van Justitie over «het recreatief gebruik van wapens» (nr. 5‑2893)

Informatie
Parlement: 
Senaat
Datum: 
woe, 13/03/2013
Vraagsteller: 
Patrick De Groote (N-VA)
Vindplaats/bron: 
Wetsartikels: 
art. 11 WW
Trefwoorden: 
recreatief schieten
Doelgroep: 
Algemeen
Sportschutters
Wapenbezitters
Vraag: 

De heer Patrick De Groote (N-VA). – Een van de wettige redenen tot het houden van vuurwapens is “het sportief en recreatief schieten”, zoals bepaald in de wapenwet, artikel 11, §3, 9°, b. Ondanks het feit dat sport en recreatie gezamenlijk als redenen in de wet worden opgesomd, is juridisch gezien sportief schieten een bevoegdheid van de gemeenschappen en wordt het recreatief schieten nog steeds geregeld door de federale overheid. Het recreatief schieten is echter niet echt geregeld, want er zijn geen uitvoeringsbesluiten. En in de omzendbrief van de toenmalige minister van Justitie over de toepassing van de wapenwetgeving van 29 oktober 2010 lezen we het volgende: “Met de term “ recreatief schieten “ wordt dan bedoeld het schieten buiten het door de Gemeenschappen geregelde kader (b.v. wapenbezitters die niet bij een club zijn aangesloten en/of die geen door een federatie georganiseerde schietdisciplines beoefenen).”

Het resultaat is een niet-logische opbouw van het juridische kader: een recreatief schutter worden minder juridische regels opgelegd en mag meer soorten wapens houden dan de professionele sportschutter, die gehouden is aan disciplines. Met andere woorden, de sportschutter is in België zwaarder gecontroleerd dan de vrijetijds- of amateurschutter, terwijl de geest van de Europese regelgeving er juist in bestaat dat er een strengere wapencontrole moet zijn, mits er voor jacht en sportwedstrijden soepeler regels worden gesteld, opdat het vrij verkeer van personen niet onnodig wordt belemmerd. Het betreft overweging 7 van de Richtlijn 91/477/EEG van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens.

De anomalie zou ons inziens kunnen worden opgelost, voor wat de Vlaamse Gemeenschap betreft, door een initiatief van de Vlaamse overheid aangezien de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, artikel 4, 10° “vrijetijdsbesteding en het toerisme” als een gemeenschapsbevoegdheid aanziet, en “recreëren” volgens Van Dale betekent: “zijn vrije tijd besteden aan recreatie, zich ontspannen.” Het sportief schieten werd vóór de nieuwe wapenwet van 2006 immers ook enkel federaal geregeld, maar er waren geen bijkomende bevoegdheidsoverdrachten nodig om de gemeenschappen hun bevoegdheden ten volle laten uitoefenen na die wet.

Kan volgens de minister de Vlaamse Gemeenschap het recreatief schieten bij decreet regelen?

Of wil de minister een eigen initiatief nemen met een koninklijk besluit dat het “recreatief schieten” regelt?

Of wil de minister een wetsontwerp indienen dat het “recreatief schieten” wettelijk definieert?

Antwoord: 

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. – Zonder mij in de plaats van het Grondwettelijk Hof te willen stellen, denk ik dat de redenering van senator De Groote juist is en dat de Gemeenschappen, die niet alleen bevoegd zijn voor sport, maar ook voor vrijetijdsbesteding, inderdaad een reglementair kader zouden kunnen scheppen voor het recreatief schieten, net zoals ze dat hebben gedaan voor het sportschieten.

Omwille van die bevoegdheidsverdeling is er vanuit het federaal niveau nooit een initiatief genomen om het recreatief schieten zelf te regelen.

Bij gebrek aan, of in afwachting van een regeling door de Gemeenschappen kan ik alleen maar een logisch onderscheid maken, waarbij recreatief schieten alle vormen van schieten omvat, die niet worden beschouwd als sportschieten of als een van de andere particuliere activiteiten die door de wapenwet worden opgesomd. In de praktijk gaat het om het gebruik van vuurwapens in schietstanden zonder competitie, los van gereglementeerde disciplines en louter als amusement.

Commentaar: 

Deze vraagsteller profileert zich geregeld op het vlak van de wapenwet en laat zich vaak negatief opmerken door zijn vraagstelling waaruit een gebrek aan dossier kennis blijkt.

Dit is hier des temeer het geval.

Zo schrijft de vraagsteller dat een recreatief schutter aan minder controle onderworpen is dan een sportschutter. Minstens wordt de indruk gewekt dat het "recreatief schieten" een soort restcategorie is die enkel wordt ingeroepen om andere statuten te ontduiken.

De toon van de vraagsteller, die er zich van bewust moet zijn dat hij op die manier een groep van ongeveer 250.000 recreatieve wapenbezitters viseert, dient enkel om zijn gebrek aan kennis te verhullen.

Een recreatief schutter moet bijvoorbeeld, net zoals de sportschutter, een medisch attest voorleggen. Hij moet ook nog een bewijs van akkoord inwonende gezinsleden voorleggen. Dit is niet voorzien als voorwaarde voor de sportschutterslicentie. Eveneens moet de recreatieve schutter jaarlijks 10 schietbeurten bewijzen (voor een sportschutter is dit 12). Hij moet ook jaarlijks een uittreksel strafregister voorleggen. Daarnaast moet de recreatieve schutter telkens opnieuw attesten van aanwezigheid voorleggen. Voor de sportschutter wordt dit geregeld via het sportschuttersboekje. Een sportschutterslicentie wordt afgegeven enkel mits voorleggen uittreksel strafregister. Voor een vergunning (met als wettige reden recreatief schieten) is er een voorafgaandelijk moraliteitsonderzoek door de politie. Bovendien moet een recreatief schutter minstens eens per 2 jaar een theoretische proef afleggen (voor een SSL houder is dit enkel bij hernieuwing, indien de wetgeving substantieel gewijzigd is).

Derhalve zijn de voorwaarden van het bekomen van een wapenvergunning met als wettige reden het "recreatief schieten" nog steeds veel strenger dan de voorwaarden voor het bekomen van een sportschutterslicentie.

Voor de volledigheid merken we nog op dat een sportschutter die een vergunning vraag aan dezelfde voorwaarden moet voldoen. Omdat sommige van die voorwaarden (zoals de wettige reden, het medisch attest en de praktische en theoretische proef) reeds voldaan zijn door het aanvragen van de sportschutterslicentie, zijn zij bij de vergunningsaanvraag van deze voorwaarden vrijgesteld.

De teneur van de vraagstelling getuigt dus niet alleen van onkunde wat de wapenwetgeving betreft, maar ook van een negatieve vooringenomenheid t.a.v de recreatieve schutter.

De minister van Justitie doorprikt dit door te verwijzen naar de Grondwet en de bevoegdheidsverdeling. In dit verband zou het voor de vraagsteller nuttig zijn om eens het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 februari 2004 te lezen. Daarin wordt gezegd dat de gemeenschappen het sportief, recreatief, of om het even welk vorm van schieten mogen regelen. Ze mogen het daarbij niet onmogelijk maken dat de Federale overheid haar restbevoegdheid inzake wapens uitoefent. Dus zelfs al zouden de gemeenschappen een zeer uitgebreide regeling maken voor recreatief schieten, dan nog moet het mogelijk zijn om te kiezen zich niet aan deze regeling te onderwerpen en nog met een vergund wapen op een erkende schietstand te gaan schieten.

Het standpunt van Wapenunie is dat tegen elk decreet zal worden geageerd dat als doel heeft om het schieten exclusief door de gemeenschappen te laten regelen. Het is ook in dit verband dat wij destijds het Grondwettelijk Hof verzocht hadden om het eerste decreet van 2003 over de sportschutterslicentie in de Franse gemeenschap te laten vernietigen. In het tussengekomen arrest tekent het Grondwettelijk Hof een aantal krijtlijnen uit voor de bevoegdheidsverdeling.