Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de minister van Justitie over «de veiligheidsmaatregelen voor het bezit van wapens door particulieren» (nr. 4-1273)

Informatie
Parlement: 
Senaat
Datum: 
don, 10/12/2009
Vraagsteller: 
Philippe Monfils (MR)
Wetsartikels: 
art. 16 wapenwet
Trefwoorden: 
veiligheidsvoorschriften opslag
Doelgroep: 
Jagers
Schietstanden
Sportschutters
Verzamelaars
Wapenbezitters
Vraag: 

De heer Philippe Monfils (MR). – Het koninklijk besluit van 24 april 1997 bepaalt de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie.

Het koninklijk besluit werd onlangs gewijzigd door het koninklijk besluit van 14 april 2009 waarover ik de minister enkele weken geleden al heb ondervraagd, meer bepaald over de ontoepasbaarheid van de voorwaarden bij het vervoer van wapens. Het antwoord van de minister was overigens redelijk positief, maar niettemin veel minder uitgebreid dan in de Kamer, wat nogmaals aantoont dat meer belang wordt gehecht aan de Kamer dan aan onze assemblee.

Het gewijzigde koninklijk besluit van 24 april 1997 roept nog andere vragen op. Hoofdstuk 3 bepaalt de veiligheidsvoorwaarden bij het voorhanden hebben en tentoonstellen op de verblijfplaats van vergunningsplichtige wapens of munitie ervoor door particulieren. Dat hoofdstuk voorziet niet in een uitzondering of in mindere strenge veiligheidsvoorwaarden voor wapens zonder munitie waarvoor een vergunning kan worden bekomen overeenkomstig artikel 11, §1, van de wapenwet. Dergelijke wapens kunnen geen veiligheidsprobleem vormen daar de particulier niet over de bijbehorende munitie mag beschikken. Overigens heeft hij zich ertoe verbonden de wapens nooit te gebruiken om te schieten, want anders volgt een sanctie of een inbeslagname van de wapens.

De te nemen veiligheidsmaatregelen verschillen naargelang van het aantal wapens dat in het bezit is van de particulier. Zij kunnen dus meer of minder dwingend en meer of minder omslachtig zijn. Een beveiligde wapenkast kost minstens 200 euro. De toepassing van dergelijke veiligheidsmaatregelen op bezitters van wapens zonder munitie is ongepast en kan alleen maar leiden tot overbodige uitgaven.

Ook in verband met de termijn waarover particulieren beschikken om hun aanvraag in te dienen, zouden er problemen zijn. Veel wapenbezitters die hun aanvraag voor wapenbezit tijdig, dus vóór 31 oktober, indienden, hebben nog altijd geen officieel antwoord van de gouverneur gekregen. Sommigen hebben wel al het bezoek gekregen van de politie die kwam controleren of zij de in het koninklijk besluit bepaalde veiligheidsmaatregelen hadden genomen.

Ik vind het volkomen absurd aan wapenbezitters veiligheidsmaatregelen op te leggen en hen ertoe te verplichten belangrijke uitgaven te doen, als ze nog niet weten of ze hun wapens zullen kunnen behouden.

Bovendien schijnt de politie niet te weten dat artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 april 2009 bepaalt dat particulieren die tot 30 wapens bezitten, over een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van het besluit beschikken om de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen. Ze hebben dus nog tot 25 april 2010 de tijd. Dat wordt volledig over het hoofd gezien.

De voorafgaande controles door de politie bij wapenbezitters thuis hebben dus geen enkele bestaansreden. Ik durf zelfs te zeggen dat zij geen enkele wettelijke waarde hebben. Een proces-verbaal zou onmiddellijk aan het gerecht worden overgezonden en de rechtbank zou verplicht zijn de verdachte vrij te spreken en de politie te veroordelen.

Hebben de ‘vergunningsplichtige wapens’ waarover sprake in artikel 11 van het besluit, ook betrekking op de wapens zonder munitie? Zijn de veiligheidsmaatregelen in dat geval niet buitenmaats? Is het bijgevolg niet nodig artikel 11 te preciseren?

Hoe verklaart de minister dat de politie wapenbezitters verplicht tot veiligheidsuitgaven als zij nog niet eens weten of ze een wapenvergunning zullen krijgen? Zal de minister die uitgaven terugbetalen als de beslissing over de aanvraag voor wapenbezit negatief is of als de minister in beroep de negatieve beslissing van de gouverneur bevestigt?

Kan de minister ten slotte contact opnemen met de minister van Binnenlandse Zaken met het verzoek een rondzendbrief op te stellen die preciseert dat de veiligheidsmaatregelen in artikel 11, §3, 4 en 5, niet eerder moeten worden genomen dan nadat de aanvraag voor wapenbezit werd aanvaard?

Antwoord: 

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. – Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

Als in het koninklijk besluit sprake is van vergunningsplichtige wapens gaat het wel degelijk over de wettelijke categorie welke die naam draagt. De veiligheidsmaatregelen die moeten worden genomen bij het bezit ervan, zijn van toepassing op al die wapens, onafhankelijk van de modaliteiten van dat bezit.

De veiligheidsmaatregelen die door het koninklijk besluit worden opgelegd, zijn niet alleen gericht op het risico van misbruik of van een ongeval door de bezitter, maar ook op het risico van diefstal. De afwezigheid van munitie is geen garantie tegen diefstal en een ongeladen wapen kan ook worden gebruikt om mensen mee te bedreigen. Vanuit dat oogpunt kan dan ook geen onderscheid worden gemaakt tussen wapenbezitters. Alle wapenbezitters moeten zich ervan bewust zijn dat een wapen geen voorwerp is als een ander en moeten de risico’s tot een minimum beperken, rekening houdend niet alleen met het persoonlijk gebruik ervan, maar ook met het mogelijke misbruik ervan door kwaadwillige personen.

In het kader van een onderzoek mag de politie aan wapenbezitters die een nieuwe wapenvergunning hebben aangevraagd, vragen onder welke voorwaarden hun wapens zijn opgeslagen. De maatregelen van artikel 11, §1 en 2, die gelden als een strikt minimum en voor elke wapenbezitter vanzelfsprekend zouden moeten zijn, zijn al verplicht. De politie kan echter niet eisen dat particulieren de bijkomende veiligheidsmaatregelen nemen van de §§3 en 5 van artikel 11, die pas op 25 april 2010 verplicht worden.

Een algemene rondzendbrief over de gehele reglementering is in voorbereiding. Als het laatste uitvoeringsbesluit zal zijn genomen, zullen we de brief meedelen.

De heer Philippe Monfils (MR). – Het is wel de eerste keer dat men het in dit wapendossier over diefstal heeft. Tot nog toe had men het over wapenbezit en over het scheiden van wapens en munitie. Dat is een nieuw element dat we aan de wapenbezitters zullen meedelen en waarom ze eens hartelijk zullen lachen.

Ik neem er nota van dat de minister vindt dat het koninklijk besluit moet worden nageleefd. Ik zal aan de wapenbezitters zeggen dat zij tot 25 april geen bijkomende maatregelen moeten nemen.

Voor het overige ben ik bijzonder ontgoocheld dat het bezit van een wapen met munitie en van een wapen zonder munitie wordt gelijkgeschakeld. Ik zal daaruit de nodige conclusies trekken en de wapenliefhebbers raadplegen. Mogelijk zullen we de reglementering trachten te wijzigen.

Dit is zeker geen persoonlijke aanval, mijnheer de staatssecretaris, en ik wend me nu tot u in uw functie van burgemeester. Dankzij de informatie die u hebt gekregen, zullen uw politiediensten tot 25 april 2010 geen wapenbezitters lastigvallen met de bijkomende maatregelen waarin het koninklijk besluit voorziet.

Commentaar: 

Uit de manier waarop de vraag gesteld is, blijkt duidelijk dat de vraagsteller niet gehinderd wordt door enige kennis ter zake. Allicht reageert hij op allerhande geruchten die hij meent op te vangen in sommige kringen van wapenbezitters.

Vooreerst is het overbodig om aan de minister van justitie te gaan vragen of hij een KB, dat duidelijk in overgangsregelingen voorziet tot 25 april 2010, zal uitvoeren. Het zou nogal kras zijn mocht de minister antwoorden dat hij dat niet zal doen.

Tweedes meent de vraagsteller dat er een verschil in behandeling zou moeten worden ingevoerd tussen de bezitter van wapens met munitie, en het bezit van wapens zonder munitie. Dit onderscheid is niet pertinent. Terecht spreekt het KB over vergunningsplichtige wapens, de minister verduidelijkt dat het deze wapens zijn die tegen diefstal moeten beveiligd worden. Volgens de senator zullen de wapenbezitters "eens hartelijk lachen" om deze verplichting. Wij lachen niet en vinden het niet onredelijk dat elke wapenbezitter zich behoorlijk dient te beveiligen.

Willen we trouwens opmerken dat de voorwaarden voor opslag van wapens onder de wet van 3 januari 1933, zoals gewijzigd, nog strenger waren ? Er moest toen, vanaf 10 vergunningsplichtige wapens, een depotvergunning te worden gevraagd die destijds aanleiding gaf tot aanzienlijke retributies.

Ook zijn de kosten die wapenbezitters moeten dragen zeker niet overdreven. Zo menen wij dat het niet onredelijk is dat gevraagd wordt aan wapenbezitters die investeren door meer dan 10 wapens aan te kopen ook eens te denken aan de aankoop van een kluis (kostprijs ongeveer 300 EUR, thuis geleverd). Onder deze hoeveelheid volstaat een stevige kast. Wij denken dus dat de senator er goed zou aan doen eens op een correcte manier het KB van 24 april 1997 te lezen alvorens sommige conclusies te trekken. Al is de vraag natuurlijk waar de vraagsteller de mosterd haalt.

Een aantal andere vermelde hypotheses in de vraagstelling vermeld geven eveneens aanleiding tot een "hartelijke lach" bij menig jurist die de teksten leest. Zo zien wij niet waarom de politie zou overgaan tot vervolging van wapenbezitters die niet in orde zijn met de veiligheidsmaatregelen die pas vanaf 25 april 2010 moeten genomen worden.

Verder is ook de premisse verkeerd: de veiligheidsmaatregelen dienen pas te worden genomen eens men de drempel van 5, 10 of 30 vergunningsplichtige wapens overschrijdt. Dus niet op het moment dat de vergunning wordt aangevraagd. Wel dient de wapenbezitter aan te geven welke maatregelen hij zal nemen. Immers, indien hij een valse verklaring aflegt bij de aanvraag van een vergunning, dan kan de wapenvergunning worden ingetrokken. Op het ogenblik van de aanvraag moet dus enkel een engagement worden aangegaan om de nodige maatregelen te nemen. Indien achteraf deze maatregelen niet genomen worden, is er mogelijk een inbreuk van het KB van 24 april 1997. De vraagsteller keert deze situatie eigenlijk om, en leidt daar dan uit af dat de wapenbezitter al op kosten gejaagd wordt vooraleer hij zijn vergunning heeft. Dit is manifest onjuist.

Ergo, het antwoord van de minister van justitie is duidelijk. De minister kondigt ook nogmaals aan een en ander te regelen in een omzendbrief. Dit is ook niet nieuw en werd eerder al aangekondigd n.a.v. de vragen gesteld onder impuls van de jagerslobby.