Vlaams Parlement - schriftelijke vraag nr. 164 dd 20 december 2010 van Jan Roegiers (SPA) - sportschuttersdecreet - recreatieve sportschutters

Informatie
Parlement: 
Vlaams Parlement
Datum: 
maa, 20/12/2010
Vraagsteller: 
Jan Roegiers (SP.A)
Vindplaats/bron: 
Trefwoorden: 
sportschieten
recreatief schieten
Doelgroep: 
Algemeen
Sportschutters
Wapenbezitters
Wapenhandelaars
Vraag: 

Sportschuttersdecreet - Recreatieve sportschutters

In ongeveer alle sportdisciplines wordt een onderscheid gemaakt tussen “wedstrijd”sporters en “recreatieve” sporters. In de meeste gevallen zijn beide soorten sporters ook bij dezelfde bond of liga aange-sloten. Bij de meeste sporten is het onderscheid niet van wezenlijk belang. In bepaalde disciplines is dat echter wel belangrijk.

Bij de schutters met vuurwapens zijn er wedstrijdschutters en recreatieve schutters, verplicht aangeslo-ten bij een schuttersclub. Wat dit onderscheid betreft laat het Sportschuttersdecreet van 11 mei 2007 - op z’n zachtst gezegd - ruimte voor interpretatie, met belangrijke implicaties voor het verwerven van vuurwapens. De houder van een sportschutterslicentie kan immers heel wat lange vuurwapens aankopen zonder daarvoor een wapenvergunning te moeten aanvragen op basis van de federale wapenwet.

Indien recreatieve schutters niet onder het Sportschuttersdecreet zouden vallen, dan ressorteren ze volledig onder de federale wapenwet en kunnen ze in principe ook geen vergunningplichtige wapens aankopen zonder hiervoor eerst een vergunning bij de provinciegouverneur te hebben verkregen.

1. Vallen ook de recreatieve sportschutters onder het Sportschuttersdecreet van 11 mei 2007, of heeft dat enkel betrekking op de wedstrijdschutters?

2. Indien de recreatieve schutters geen toegang kunnen hebben tot de sportschutterslicentie, is dan enkel de federale wapenwet op hen van toepassing?

3. Welke maatregelen gaat de minister nemen om de bestaande onduidelijkheid ter zake uit te klaren en bekend te maken aan alle betrokken actoren?

Antwoord: 

1. Het decreet van 11 mei 2007 houdende het statuut van de sportschutter heeft niet enkel betrekking op wedstrijdschutters. Ook de schutters die het sportschieten op recreatieve wijze beoefenen en die aangesloten zijn bij een gemachtigde schietsportfederatie vallen onder het sportschuttersdecreet.

Artikel 2, 5° van het sportschuttersdecreet definieert sportschieten als: “het beoefenen van de schietdisciplines die worden aangeboden door de internationale schietsportfederatie die erkend is door het Internationaal Olympisch Comité, of door de schietsportfederaties, met uitzondering van het buksschieten.”

Artikel 2, 6° van het sportschuttersdecreet definieert schietsportfederatie als: “een Vlaamse sportfederatie of organisatie die erkend is op basis van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding die het sportschieten aanbieden of een organisatie voor volkscultuur die erkend is op basis van het decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur of een organisatie, gesubsidieerd op basis van artikel 26 van het decreet van 23 mei 2008 houdende de ontwikkeling, de organisatie en de subsidiëring van het Vlaams cultureel erfgoedbeleid die het sportschieten met vergunningsplichtige wapens aanbieden.”

Voor het beoefenen van de disciplines aangeboden door de internationale schietsportfederatie die erkend is door het Internationaal Olympisch Comité en door de Vlaamse schietsportfederaties (Vlaamse Schietsportkoepel vzw, FROS Amateursportfederatie vzw, Vlaamse Traditionele Sporten vzw en de Federatie voor Vlaamse Historische schuttersgilden) en voor de voorbereiding op deze disciplines is binnen het kader van activiteiten van deze schietsportfederaties een sportschutters¬licentie of een voorlopige sportschutterslicentie vereist. Het is daarbij niet van belang of deze disciplines in competitieverband plaatsvinden.

2. Niet van toepassing (zie antwoord op vraag 1).

3. De gemachtigde schietsportfederaties zijn op de hoogte dat de bij hen aangesloten leden die schieten met vergunningsplichtige wapens houder dienen te zijn van een sportschutterslicentie of van een voorlopige sportschutterslicentie en dat het systeem van de sportschutterslicentie, zoals ingevoerd door het sportschuttersdecreet, zich niet enkel beperkt tot de wedstrijdschutters.
Ik stel evenwel vast dat de recente omzendbrief van 29/10/2010 (B.S., 24/11/2011) van de federale minister van Justitie over de toepassing van de wapenwetgeving, die trouwens zonder enig overleg met mij als Vlaams minister van Sport werd opgesteld, wel een invloed heeft op het sportschieten. Gelet op de onduidelijkheid die deze omzendbrief creëert zal hieromtrent overleg georganiseerd worden met de gemachtigde schietsportfederaties.

Commentaar: 

De verwarring tussen de begrippen "sportschieten" en "recreatief schieten" blijft al jarenlang aanleiding geven tot verwarring. Deze vraag bewijst dat ook sommige leden van het Vlaams parlement nog steeds weinig inzicht hebben in de materie.

Vooreerst weet de vraagsteller blijkbaar niet dat de federale wet wapenbezit toelaat om redenen van sportschieten, en om redenen van "recreatief" schieten. Er bestaat ook een Vlaams decreet over sportfederaties en subsidiëring van deze organisaties. Dat decreet legt aan de federaties ook op om recreatieve sportbeoefening te organiseren. De generaliserende premisse in de vraagstelling is dus al verkeerd. In elke sport die door de Vlaamse overheid gesubsidieerd wordt is het onderscheid tussen competitieve en recreatieve oefening wel degelijk van belang voor de berekening van subsidies en evaluatie van de werking van de sportfederaties.

De minister antwoordt dan ook terecht dat iedereen die de schietsport beoefent met vuurwapens binnen een sportclub die is aangesloten bij een schietsportfederatie aan sportschieten doet. Het sportschieten is dus te begrijpen als het beoefenen van de schietsport zoals aangeboden door de diverse federaties, en ook binnen dit kader. Dit kader houdt een decretaal bepaalde structuur in waarbij een club is aangesloten bij een federatie die dan erkend is door de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid is dan ook ten volle bevoegd om het sportschieten te regelen. In een Vlaamse context betekent sportschieten dus zowel de recreatieve als de competitieve beoefening van de schietsport.

De Vlaamse overheid moet echter de bevoegdheid van de Federale Overheid respecteren om het wapenbezit, wapenhandel en de erkenning van schietstanden te regelen. De Vlaamse overheid is niet bevoegd om wapenbezit als dusdanig te regelen, tenzij dit past binnen de haar toegemeten bevoegdheden. Reeds herhaaldelijk heeft het Grondwettelijk Hof uitspraken gedaan over de verdeling van de bevoegdheden tussen de federale overheid en de gemeenschappen en de gewesten.

Uit deze rechtspraak blijkt dat de Federale overheid ten volle bevoegd is om het wapenbezit te regelen. Deze overheid kan bepalen onder welke voorwaarden men een wapen voorhanden mag hebben. Ze kan bepalen welke de voorwaarden zijn voor een vergunning. Eén van de door de federale overheid opgelegde voorwaarde is dat de wapenbezitter een wettige reden aantoont. De Federale overheid heeft ervoor gekozen om zowel het sportschieten als het recreatief schieten te aanvaarden als wettige reden. Als die wettige reden "sportschieten" is, houdt de Federale overheid zelfs in verregaande mate rekening met het statuut dat is uitgewerkt door de gemeenschappen. De sportschutterslicentie op zich bewijst de wettige reden. Eveneens respecteert de Federale Overheid dat de sportschutters, via hun statuut, reeds bewijzen aan quasi alle vergunningsvoorwaarden te voldoen. Er zijn dan ook vrijstellingen van proeven en van het medisch attest als de sportschutter deze voorwaarden reeds voldeed in het kader van zijn sportschutterslicentie.

Los daarvan heeft de Federale Overheid zelfs een uitzonderingsregime gemaakt voor houders van een sportschutterslicentie. Zij kunnen een beperkt aantal wapens verwerven zonder telkens een vergunning te vragen. De Federale Overheid heeft daarbij rekening gehouden met het Europese kader. In het kader van de EU richtlijn moeten de lidstaten immers in beginsel voor elk wapen een vergunning opleggen. Slechts voor een beperkt aantal wapens (behorend tot cat. C of cat. D van de richtlijn) is een uitzondering mogelijk. Daardoor kon de Federale Overheid onmogelijk het voorhanden hebben van elk wapen dat door de houder van een sportschutterslicentie gebruikt wordt vrijstellen van de vergunningsplicht

De Federale overheid heeft er echter voor gekozen om, naast het sportschieten dat door de gemeenschappen geregeld is, ook nog andere wettige redenen aan te nemen voor wapenbezit. In de praktijk is "recreatief" schieten de belangrijkste. De term is door de Federale wetgever echter ongelukkig gekozen. Er werd bedoeld dat ook wie wapens bezit en geen lid van een schuttersclub maar toch regelmatig met het wapen gaat schieten ook nog zijn wettige reden kan aantonen. Dit gebeurt dan uiteraard niet door een sportschutterslicentie, maar door een "attest" dat wordt uitgereikt door de exploitant van een schietstand (en dus niet door een schuttersclub).

Onlangs heeft de Federale minister van Justitie dit standpunt verduidelijkt in een omzendbrief. Deze omzendbrief stelt dat "recreatief" schieten verwijst naar het schieten buiten het door de gemeenschappen geregelde kader.

Wij zien niet hoe dit een relevantie heeft voor het begrip "sportschieten" in de zin van de Vlaamse regelgeving. De verduidelijking in de omzendbrief kan immers geen enkele beperking invoeren t.a.v. de gemeenschappen om het sportschieten te regelen. Er wordt enkel bevestigd dat er ook nog gebruik gemaakt kan worden van wapens buiten het sportschieten.

In hetzelfde verband geldt dat de Federale Overheid bevoegd is om de erkenning van schietstanden te regelen. Deze overheid kan bepalen welke veiligheidsvoorwaarden elke gebruiker van een schietstand moet in acht nemen. Eveneens legde de Federale overheid in 2000 reeds alle voorwaarden op voor de exploitatie van een stand. Ook de voorwaarden voor de gebruikers worden bepaald.

Het is immers ook zo dat schietstanden niet exclusief gebruikt worden door sportschutters. De meeste schietstanden worden zowel door een schuttersvereniging gebruikt (die dan al dan niet aangesloten is bij een federatie en dus onder het sportschuttersdecreet valt) als door politiediensten, bewakingsondernemingen of andere veiligheidsdiensten. Net zoals andere sportinfrastructuur ook gebruikt wordt voor niet-sportieve doeleinden. Zo wordt in een voetbalstadium niet meer alleen gevoetbald, maar worden daar ook soms optredens of andere evenementen georganiseerd die niets met de sport te maken hebben.

De Federale overheid is dus volstrekt bevoegd om te regelen dat de uitbater van een schietstand een aanwezigheidsregister moet bijhouden. Hij is eveneens bevoegd om toe te laten dat wapenbezitters die niet geen sportschutter zijn aan de uitbater een attest kunnen vragen en aldus kunnen bewijzen dat ze regelmatig aan een "schietactiviteit" deelnemen.

De minister vergist zich dus als hij bij het einde van zijn antwoord zegt dat een federale omzendbrief waarin de respectievelijke bevoegdheidsdomeinen worden omschreven een invloed heeft op het sportschieten.

Nico Demeyere
ondervoorzitter