Vlaams Parlement - Vraag om uitleg van mevrouw Els Van Weert dd. 19 maart 2009

Informatie
Parlement: 
Vlaams Parlement
Datum: 
don, 19/03/2009
Vraagsteller: 
Els Van Weert ("Spirit")
Vindplaats/bron: 

Vlaams Parlement, voorlopig verslag Commissie - http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/handelingen_commissies/2008-2009/c0m1...

Wetsartikels: 
sportschuttersdecreet
Trefwoorden: 
statistiek
sportschutterslicentie
Doelgroep: 
Sportschutters
Vraag: 

Mevrouw Els Van Weert: Mijnheer de voorzitter, de problematiek van het wapenbezit en alles wat hier verband mee houdt, ligt me na aan het hart. De gebeurtenissen van de voorbije maanden en jaren tonen aan dat we hier heel omzichtig mee moeten omspringen.

Dit geldt ook voor mensen die met hart en ziel een sport beoefenen. Ik heb het hier over mensen die in een sportclub de schietsport beoefenen. Ik heb dergelijke mensen regelmatig ontmoet. Velen onder hen houden echt van hun sport. Ze gaan zeer nauwgezet en omzichtig om met de wapens die daarbij te pas komen.

Naar aanleiding van een aantal incidenten is de federale wapenwetgeving behoorlijk verstrengd. Die wetgeving voorziet, precies voor de sportschutters, in een aantal uitzonderingen. Die mensen moeten immers de kans krijgen hun sport te blijven beoefenen.

De minister heeft een decreet opgesteld om de organisatie en de verantwoordelijkheid van de Vlaamse overheid te regelen. Een aantal categorieën mensen hebben het recht wapens te bezitten, te transporteren en in huis te hebben.

Recent heb ik de minister schriftelijk om een aantal cijfers gevraagd om de evolutie van de lidmaatschappen van de zogenaamde schietclubs te verduidelijken. Uit die cijfers blijkt dat zich tussen 2005 en 2007 een sterke stijging heeft voorgedaan. De cijfers voor 2008 zijn blijkbaar nog niet beschikbaar. Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag aan de minister blijkt in elk geval dat de vier erkende schietsportfederaties een sterke stijging van hun ledenaantallen hebben gezien. De cijfers van drie schietsportfederaties maken een vergelijking tussen de situatie in 2005 en de situatie in 2007 mogelijk. Het ledenaantal is gestegen van 15.878 naar 26.720. Dit betekent dat de stijging op twee jaar tijd maar liefst 68,28 percent bedraagt. Hoewel die stijging gigantisch is, heb ik in deze discipline nergens een Olympische of andere spraakmakende prestatie van landgenoten gezien die als overduidelijke verklaring kan dienen. (Opmerkingen van minister Bert Anciaux)

Ik meen dat er een verband is met de in juni 2006 verstrengde federale wapenwetgeving. We moeten daarover eens van gedachten wisselen. De federale wapenwetgeving maakt het heel wat moeilijker een wapenvergunning te krijgen. Het decreet van 9 mei 2007 is op 15 juni 2007 in werking getreden. Ik hoef dit eigenlijk niet toe te lichten. De minister weet wat de sportschutterslicentie, de voorlopige sportschutterslicentie en het sportschuttersboekje inhouden. De voorwaarden om een sportschutterslicentie te halen, zijn vrij streng. Kandidaten moeten in een theoretische en een praktische proef slagen. Ze moeten een voldoende actief lidmaatschap bewijzen. Op die manier moet duidelijk worden dat het effectief gaat om mensen die deze sport genegen zijn en niet om mensen die langs deze weg vlotter aan een wapen hopen te raken.

De minister heeft al eerder verklaard dat het uitreiken van de sportschutterslicenties, het afnemen en beoordelen van de examens en het noteren van de schietbeurten in een sportschuttersboekje onder de verantwoordelijkheid van de mensen van de federaties en de clubs valt. Op zich kan zelfregulering een goede zaak zijn. Hier gaat het natuurlijk om een zeer delicate materie. Wie een federale wapenvergunning wil krijgen, moet langs het politiekantoor. De politie neemt proeven af. Uiteindelijk reikt de gouverneur de vergunning uit. Hier berust alle verantwoordelijkheid bij de sportschuttersfederaties. Zij mogen zelf oordelen.

Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag blijkt dat tijdens de eerste fase weinig tot geen mensen zijn geweigerd of geschorst. Minder dan 1 percent van de aanvragen is geweigerd. Een zeer hoog percentage, 95 tot 96 percent, van de kandidaten slagen in de examens. Ik zie geen aanleiding om te denken dat die mensen hun job niet goed doen. De cijfers spreken echter voor zich. Het is in elk geval niet mijn bedoeling een steen naar de federaties te werpen. Nu we de federaties zo veel verantwoordelijkheid toekennen, lijkt een goede controle op de werking van het systeem me wel cruciaal. Zeker in een beginfase moeten we een duidelijk signaal geven. Er moet een duidelijke controle zijn. Het antwoord op mijn schriftelijke vraag laat me in dit verband enigszins op mijn honger zitten.

Het agentschap voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (Bloso) is bevoegd voor de controles op de Vlaamse Schutters Konfederatie (VKS), de vzw Vlaamse Traditionele Sporten (VlaS) en de vzw FROS Amateursportfederatie. Tot op heden zijn enkel naar aanleiding van een beroep tegen een schorsing of tegen een intrekking van een licentie controles uitgevoerd. Eigenlijk is het aantal controles te verwaarlozen.

Het agentschap Kunsten en Erfgoed is bevoegd voor de controle op de Federatie van Vlaamse Historische Schuttersgilden. Op basis van het jaarverslag controleert het agentschap de machtiging tot toekenning van sportschutterslicenties. Naar aanleiding van de vraag van de federatie deze machtiging te verlengen, is in 2008 een specifieke controle gehouden. Het agentschap Kunsten en Erfgoed plant een volgend toezicht, met inbegrip van een visitatie,
voor mei of juni 2009.

Mijnheer de minister, hebt u een verklaring voor de sterke stijging van de ledenaantallen van de schietsportfederaties? Ziet u een verband met de federale wapenwetgeving? Zijn de schietclubs op deze stijging voorbereid? Eigenlijk is dit probleem me, in mijn hoedanigheid van gemeentelijk mandataris, door een plaatselijke schietclub gesignaleerd [nvdr: VZW Fort Lier]. Die schietclub kan dat eigenlijk niet aan. Er is een gebrek aan ruimte en mogelijkheden. Aangezien ik elders ook dergelijke geluiden heb gehoord, heb ik hierover een vraag om uitleg gesteld.

Hoewel het eigenlijk nog vroeg is, vraag ik me af hoe u het huidig systeem met betrekking tot de uitreiking van sportschutterslicenties zelf evalueert. Wat is uw mening over de controles die tot op heden zijn uitgevoerd? Wordt het decreet volgens u voldoende nageleefd? Plant u in dit verband bijkomende inspanningen? Lijkt het u verstandig dit in handen van het Bloso te laten? Beschikt het Bloso over voldoende kennis en expertise om die opdracht degelijk uit te voeren?

Toen ik deze vraag om uitleg opstelde, wist ik nog niet dat de stijging van het aantal leden van de sportclubs met de stijging van de import van kleine wapens overeenkomt. Dat is me pas gisteren, tijdens de plenaire vergadering, duidelijk geworden. Die wapens zijn grotendeels voor dergelijk gebruik bedoeld. Blijkbaar zou er geen reële stijging zijn. Ik wacht het antwoord van de minister af. Nu er een decreet is, wordt de invoer beter genoteerd. Vroeger
zouden veel wapens niet zijn geregistreerd. Dat zou een verklaring kunnen vormen. Volgens mij stemt dit niet overeen met de hogere invoer van de wapens die specifiek door dergelijke mensen worden gehanteerd.

Antwoord: 

h4>Antwoord van de Vlaamse minister bevoegd voor Sport

Mijnheer de voorzitter, de sterke stijging van het aantal leden van de schietsportfederaties kan door verschillende factoren worden verklaard. Mevrouw Van Weert heeft al enkele van die factoren vermeld. Ik zal ze even hernemen.

Het aantal leden is sinds 2000 gestaag gestegen. Een van de verklaringen is zeker en vast het Koninklijk Besluit van 13 juli 2000 betreffende de erkenningsvoorwaarden voor schietstanden. Dit KB verbiedt het schieten buiten een erkende schietstand. Vermits aan erkende schietstanden haast altijd een schuttersvereniging is verbonden, hebben deze verenigingen zich bij een schietsportfederatie aangesloten. De stijging is het meest uitgesproken in 2006 en in 2007.

Ik zie daarvoor de volgende verklaringen. De stijging van het ledenaantal kan in belangrijke mate door de Wapenwet worden verklaard. De Wapenwet van 8 juni 2006 maakte elke vorm van passief wapenbezit onmogelijk. Enkel indien een wapenbezitter actief is als jager of sportschutter, kon hij zijn wapens behouden. Om die reden zagen de clubs een grote stijging van hun ledenaantallen in de aanloop naar 9 december 2006, de aanvankelijke termijn
waarbinnen wapenbezitters zich in orde moesten stellen, en vooral naar 30 juni 2007, de uiteindelijke datum waarop wapenbezitters zich in orde moesten stellen. Minstens even belangrijk is het invoeren van het Sportschuttersdecreet. Dit decreet stelt dat, om als ‘sportschutter’ beschouwd te worden, men via een sportschuttersvereniging lid moet zijn van een schietsportfederatie.

De schietclubs hebben de ledenstijging doorgaans kunnen opvangen. Sommige clubs dienden over te gaan tot een ledenstop. Door het stijgend ledenaantal hebben de clubs ongetwijfeld bijkomende noden. In de mate van het mogelijke tracht men aan deze noden te voldoen. Zo hebben sommige gemeentebesturen extra infrastructuur ter beschikking gesteld van de clubs. Ook de schietsportfederaties helpen bij de financiering van de infrastructuur van hun clubs. De uitbreiding van schietstanden en van de infrastructuur is niet altijd mogelijk door de wetgeving op de ruimtelijke ordening en door de milieuwetgeving.

Mevrouw Van Weert, een deel van de stijging van het aantal leden is te verklaren door die twee aspecten: de wetgeving op de schietstand en de Wapenwet zelf. Ten minste zijn we destijds in één zaak gelukt, namelijk dat we nu meer zicht hebben op de mensen die vrij een wapen hadden. In overgrote mate hebben we voor hen een vorm van regularisering gerealiseerd, door verenigingen te laten aansluiten bij een erkende sportfederatie en door
personen te laten aansluiten bij die clubs.

In de toekomst wordt verwacht dat de volgende evolutie een invloed kan hebben op de toekomstige ledenaantallen van de schietsportfederaties. De wet van 25 juli 2008 wijzigde de Wapenwet opnieuw en voorziet in een regeling voor ‘passief wapenbezit’: wapenbezitters die niet actief zijn met de wapens die ze legaal voorhanden hadden op 9 juni 2006 en erfgenamen van legale wapens of gewezen jagers en sportschutters, kunnen wapens voorhanden hebben
met uitzondering van munitie. In dit geval moeten ze geen wettige reden aantonen.

Een belangrijk aantal leden dat voorheen aansloot bij de schuttersclubs om zijn wapens te behouden, zal aldus wegvallen. De schietsportfederaties stellen dit nu al vast en verwachten dat deze daling zich zal doorzetten eens de mogelijkheden rond passief wapenbezit nog meer gekend zullen zijn. Het is een versoepeling van de Wapenwet die heel wat gevolgen zou kunnen hebben. We merken dat degenen die de sportschuttersclubs gebruikten om hun wapen
te behouden, dat ‘nadeel’ het liefst ook laten vallen. Het nadeel was voor hen dat ze actief moesten zijn. Ze hadden geen wapen om hun sport te beoefenen, maar een sport om hun wapen te behouden.

De conclusie is dus dat de Wapenwet van 2006 en het Sportschuttersdecreet inderdaad een sterke toename van het ledenaantal van de schietsportfederaties tot stand hebben gebracht. De schietsportfederaties stellen echter ook vast dat de leden die aansloten omwille van de nieuwe Wapenwet stilaan verdwijnen, omdat een regeling voor passief wapenbezit werd ingevoerd in 2008. Globaal gezien verwachten de schietsportfederaties in de toekomst een stagnering van
het ledenaantal.

De Vlaamse decreetgever besliste om de schietsportfederaties te responsabiliseren, door de uitreiking van de sportschutterslicenties en de afname van de theoretische en de praktische proeven door hen te laten gebeuren. De schietsportfederaties die hiervoor door de Vlaamse Regering gemachtigd werden, zijn de Vlaamse Schutterskonfederatie (VSK), FROS Amateursportfederatie, de Vlaamse Traditionele Sporten (VlaS) en de Federatie van Vlaamse Historische Schuttersgilden. Om een machtiging te bekomen moet de schietsportfederatie beschikken over een intern reglement dat dient te beantwoorden aan de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden, met name artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2007 houdende de uitvoering van het decreet van 11 mei 2007 houdende het statuut van de sportschutter.

De schietsportfederaties zijn al sinds het KB van 4 augustus 1996, thans artikel 9bis van het KB van 20 september 1991 tot uitvoering van de Wapenwet, gemachtigd om de schiet- en hanteringsproeven te organiseren in het kader van de Wapenwet. Uit overleg met de bevoegde federale diensten bleek dat de schietsportfederaties deze taak zeer behoorlijk uitvoerden. Om deze reden werd ervoor gekozen om de schietsportfederaties, die over de nodige ervaring en
knowhow beschikken, ook in het kader van het Sportschuttersdecreet te machtigen om de schiet- en hanteringsproeven af te nemen. De inhoud van de praktische proef is gelijklopend met deze opgelegd door de federale Wapenwet voor het bekomen van een vergunning voor het voorhanden hebben van een wapen. Dat is artikel 3, paragraaf 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2007.

De gemachtigde schietsportfederaties moeten de interne procedures voor deze proeven bovendien vastleggen in een intern reglement. Deze interne reglementen werden ter goedkeuring aan mij, als bevoegde minister, voorgelegd in het kader van de aanvraag tot machtiging van de schietsportfederaties. Het decreet biedt voldoende mogelijkheden aan de overheid om toezicht uit te oefenen en in te grijpen indien een gemachtigde schietsportfederatie deze proeven niet op een ernstige wijze zou organiseren.

Wat de uitreiking van de sportschutterslicenties betreft, opteerde de Vlaamse Regering ervoor deze taak toe te vertrouwen aan de schietsportfederaties. In het kader van de procedure voor de machtigingen is controle mogelijk. Federaties die het decreet niet naleven kunnen worden gesanctioneerd. De betrokken federaties moeten alle documenten met betrekking tot de sportschutterslicenties bijhouden. Bij een controle moeten zij voor elke uitgereikte voorlopige sportschutterslicentie kunnen aantonen, aan de hand van bewijskrachtige documenten, dat aan alle in het decreet voorziene voorwaarden is voldaan.

Mevrouw Van Weert, u vraagt of de uitreiking van de sportschutterslicenties en het afnemen van examens niet beter door overheidsinstanties gebeurt. Het organiseren van deze schiet- en hanteringsproeven door de Vlaamse overheid zou leiden tot bijzonder veel bijkomende kosten. Bovendien heeft de Vlaamse overheid in alle eerlijkheid niet de vereiste expertise en zou de inzet van bijkomend personeel onverantwoord veel tijd kosten om een regeling op te zetten. We hebben gemeend dat de ervaring van de federaties voldoende groot is om ons te helpen.

Mevrouw Van Weert, naast de steekproefsgewijze controles in het kader van de beroepsprocedures tegen de intrekking of schorsing van een sportschutterslicentie door een gemachtigde schietsportfederatie, zijn er nog geen controles gepland op de zetel van de respectievelijke gemachtigde schietsportfederaties. Daar ga ik verder nog op in.

Omwille van hun relatie met de verschillende gemachtigde federaties en de specifieke kennis van hun werkterrein, zoals sport of erfgoed, werd geopteerd om de controle toe te kennen aan de respectievelijke toezichthoudende overheden die omwille van bovenstaande redenen hiertoe het best geplaatst zijn. Voor wat betreft de Vlaamse sportfederaties of organisaties die erkend zijn op basis van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning
en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties enzovoort die het sportschieten aanbieden, VSK, FROS en VlaS, is het Bloso aangeduid als bevoegde dienst. Voor wat betreft de organisaties voor volkscultuur die erkend zijn op basis van het decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur, is het IVA Kunsten en Erfgoed de bevoegde dienst.

Bij het Bloso gebeurt de controle door juridisch geschoold personeel dat nauw betrokken was bij de opmaak van het Sportschuttersdecreet. Zij zijn dus meer dan voldoende geschoold voor het toezicht en de controle op de gemachtigde schietsportfederaties. Ook bij het IVA Kunsten en Erfgoed is het personeel dat de controles uitvoert, voldoende geschoold. De controle op de naleving van het Sportschuttersdecreet wordt opgenomen in de algemene evaluatie van de organisaties die binnen de bestaande decreten met opdrachten belast zijn. De personeelsleden van het IVA Kunsten en Erfgoed worden hiervoor uiteraard voldoende opgeleid en zijn dus op de hoogte van de regelgevingen waarvan ze de naleving dienen te toetsen. Dat geldt dus ook voor de regelgeving met betrekking tot het Sportschuttersdecreet. Bovendien worden deze personeelsleden continu bijgeschoold over het uitvoeren van controles en het opstellen van evaluatierapporten.

Ik zal opdracht geven aan de twee bevoegde instanties om minimaal één keer per jaar en liefst meermaals een controle op het terrein uit te voeren, in eerste instantie in de zetel van de respectievelijke gemachtigde schietsportfederaties en indien nodig ook op het terrein. Het gaat hier niet over tientallen en tientallen organisaties. Het aantal is beperkt en het moet dus perfect mogelijk zijn dat het Bloso en het IVA Kunsten en Erfgoed minstens één keer per jaar een onaangekondigde controle doen. We zullen dit onmiddellijk opstarten.

We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. Bloso zegt mij op dit ogenblik dat alles in orde is. Ik heb dus geen enkel signaal gekregen dat er iets niet in orde zou zijn. Men stelt mij integendeel gerust. Maar ik wil geen enkel risico lopen. Er moet bijkomende controle kunnen gebeuren. Wat er de laatste tijd in de wereld gebeurt, verhindert ons om naïef te zijn. Elk wapen kan worden misbruikt. Het is nooit de bedoeling geweest om een achterpoortje te maken voor de
Wapenwet. We waren altijd samen grote voorstander van het fors beteugelen van het vrije bezit van wapens. Dat is een goede evolutie. De versoepeling van de Wapenwet vorig jaar maakt het passief bezit weer mogelijk. Op geen enkele wijze mogen we een signaal geven dat we dit zouden tolereren of dat we niet voldoende aandacht besteden aan het tegengaan van elke vorm van misbruik. Mevrouw Van Weert, u weet net zo goed als ik dat, zowel legaal als illegaal, elk wapen kan worden misbruikt. We moeten dit risico tot een minimum beperken.

Mevrouw Els Van Weert: Ik dank de minister voor het antwoord. Wat het laatste aspect van dit antwoord betreft, wil ik nogmaals duidelijk stellen dat ik absoluut niets tegen die organisaties heb. Ik heb al met vertegenwoordigers van die organisaties rond de tafel gezeten en ik ben ervan overtuigd dat ze dit proberen .

De minister heeft het over misbruik van wapens gehad. Mijn bezorgdheid is op de cijfers gebaseerd. Deze organisaties kunnen worden misbruikt door mensen die een ander doel voor ogen hebben. Bepaalde mensen kunnen zich lid van een dergelijke club maken om een wapen te kunnen bezitten. Vroeger konden ze dat wapen gewoon op hun nachtkastje leggen. Nu willen ze het daar op een legale wijze kunnen laten liggen. Hier moet duidelijk toezicht op zijn. We moeten de federaties maximaal bijstaan. We moeten het kaf van het koren scheiden.

We moeten de echte sportliefhebber scheiden van de mensen die zich pro forma komen inschrijven. Op die manier zijn ze vormelijk in orde, maar hollen ze de geest van de federale wetgeving compleet uit. Ik weet dat dit de minister na aan het hart ligt. We moeten dit maximaal proberen uit te sluiten. Ik heb het gevoel dat de federaties onvoldoende gewapend zijn om dit onderscheid te maken. Dit gebeurt momenteel te weinig. Het is natuurlijk bijzonder moeilijk in iemands geest te kijken. Er is nood aan objectieve criteria en instrumenten om dit onderscheid te maken. De federaties kunnen niet subjectief oordelen of
iemand al dan niet andere dan puur sportieve bedoelingen heeft.

Mijnheer de minister, ik dring erop aan dat u blijft zoeken naar manieren om de sportfederaties zo goed mogelijk bij te staan. De door u aangekondigde controle lijkt me alvast een stap in de goede richting.