Grondwettelijk Hof - arrest 2005/42 van 23 februari 2005

Informatie
Rechtscollege: 
Grondwettelijk Hof
Datum: 
woensdag, februari 23, 2005

De bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de Federale overheid (bevoegd voor regeling rond het wapenbezit) en anderzijds de gemeenschappen (bevoegd voor sport) geeft vaak aanleiding tot discussie.

In 2004 werd een vernietigingsberoep ingesteld tegen het eerste decreet van de Franse Gemeenschap inzake het statuut van de sportschutter. Vermits het toepassingsgebied van dit decreet zeer ruim geformuleerd was, ontstond het risico dat alle gebruikers van een schietstand als "sportschutter" beschouwd zouden worden in de Franse Gemeenschap, en dus houder moeten zijn van een sportschutterslicentie.

In het arrest brengt het Grondwettelijk Hof meer duidelijkheid in deze kwestie en legt de nadruk op een parallele uitoefening van de bevoegdheden inzake de wapenwet en inzake sport. De Gemeenschappen mogen hun bevoegdheden ten volle uitoefenen, voor zover ze rekening houden met de bevoegdheden van de Federale Wetgever.

Het Grondwettelijk Hof komt tot de conclusie dat de gemeenschappen ten volle bevoegd zijn om het sportschieten te definiëren en om te bepalen waar het sportschieten kan worden beoefend, voor zover ze het uitoefenen van de bevoegdheden van de Federale overheid en van de andere gemeenschappen niet onredelijk belemmeren.

Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de Gemeenschappen ten volle bevoegd zijn om toe te laten dat iemand tijdens het sportschieten vergunningsplichtige wapens voorhanden heeft. Zo kan b.v. de houder van een voorlopige sportschutterslicentie tijdens het sportschieten een vergunningsplichtig wapen voorhanden hebben op een schietstand. Hij kan echter geen wapens verwerven, vermits hij niet aan de voorwaarden van de federale wetgever voldoet.

De Federale Wetgever blijft dus uiteraard bevoegd voor alle andere reglegeving rond wapenbezit, zoals b.v. het bepalen van de wijze waarop wapens kunnen worden verworven, het vervoer van wapens, de opslag van wapens, het dragen en voorhanden hebben van wapens buiten het sportschieten.

Hierna een korte weergave van het beschikkend gedeelte van het arrest, het volledige arrest kan via de link onderaan deze pagina worden geraadpleegd.

Ten aanzien van het eerste middel

B.4. Het eerste middel is afgeleid uit een schending, door de artikelen 2, 3 en 7 van het sportschuttersdecreet, van artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, van de Grondwet en van artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.5. Artikel 127, § 1, van de Grondwet bepaalt :
« De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet :
1° de culturele aangelegenheden;
[…].
Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden […] vast. »
Artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingenbepaalt :
« De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel [127, § 1, eerste lid, 1°] van de Grondwet zijn :
[…]
9° De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven;
[…]. »

B.6. Op grond van de voormelde bepalingen komt het de decreetgever toe de beoefening van de sport of van een bepaalde sporttak te reglementeren. Het behoort tot de kern van die bevoegdheid dat de decreetgever de sportbeoefening in het algemeen en de beoefening van bepaalde sporten in het bijzonder aan voorwaarden en beperkingen kan onderwerpen.
Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen.

B.7.1. De reglementering van een sport impliceert dat kan worden bepaald wat onder die sport moet worden verstaan en aan welke voorwaarden de beoefenaars van die sport moeten voldoen.

Door te bepalen dat niemand het sportschieten, waaronder de schietdisciplines worden verstaan bepaald door de internationale schietfederaties en de door de Franse Gemeenschap erkende schietfederaties, mag beoefenen zonder dat hij over een (voorlopige) vergunning van sportschutter, uitgereikt door of namens de Franse Gemeenschapsregering, beschikt of over
een gelijkwaardig document van de Vlaamse of de Duitstalige Gemeenschap of een lidstaat van de Europese Unie (artikel 2, § 1, van het sportschuttersdecreet), heeft de decreetgever geen afbreuk gedaan aan de aangevoerde bevoegdheidverdelende bepalingen.

B.7.2. De reglementering van een bepaalde sport impliceert eveneens dat, rekening houdend met de bepalingen inzake ruimtelijke ordening, kan worden bepaald op welke plaatsen die sport mag worden beoefend.

Door te bepalen dat het sportschieten wordt beoefend in schietstanden erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden of, in afwijking daarvan, voor het schieten met wapens met een gladde loop, in daartoe ingerichte en door een erkende schietfederatie goedgekeurde plaatsen (artikel 3 van het sportschuttersdecreet), heeft de decreetgever evenmin afbreuk gedaan aan de aangevoerde bevoegdheidverdelende bepalingen.

B.7.3. De reglementering van de sport houdt ten slotte ook in dat aan de beoefening ervan randvoorwaarden kunnen worden opgelegd die het imago en de faam van de sport in het algemeen en van bepaalde sporten in het bijzonder tot voordeel strekken.
Door de houder van een vergunning van sportschutter regels op te leggen inzake het bewaren van zijn wapens en munitie voor het sportschieten (artikel 7 van het sportschuttersdecreet), beoogt de decreetgever de toegang tot die wapens en munitie tot een
minimum te beperken teneinde te vermijden dat het oneigenlijke gebruik ervan de beoefening van het sportschieten in een slecht daglicht zou stellen. De decreetgever heeft aldus zijn bevoegdheid inzake sport uitgeoefend.

B.7.4. De bestreden bepalingen behoren tot de bevoegdheid van de decreetgever : zij verhinderen de uitoefening van de federale of gewestelijke bevoegdheden inzake respectievelijk wapens en jacht niet, noch zouden zij de uitoefening ervan onmogelijk of
buitengewoon moeilijk kunnen maken.

B.8. Het middel kan niet worden aangenomen.

Ten aanzien van het tweede middel

B.9. Het tweede middel is afgeleid uit een schending, door artikel 7 van het sportschuttersdecreet, van artikel 127, § 2, van de Grondwet doordat het territoriale toepassingsgebied van die bepaling niet tot het Franse taalgebied is beperkt.

B.10. Artikel 127, § 2, van de Grondwet bepaalt :
« Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap. »

B.11. Artikel 7 van het sportschuttersdecreet legt de houder van een vergunning van sportschutter verplichtingen op inzake het bewaren van de wapens en de munitie die voor de beoefening van zijn sport zijn bestemd. Om een vergunning van sportschutter te verkrijgen, moet een kandidaat zich op eer ertoe verbinden die verplichtingen in acht te nemen (artikel 6, 6°).

Nu die verbintenis op eer wordt afgelegd in de Franse Gemeenschap en bedoeld is om een vergunning te verkrijgen van de Franse Gemeenschap teneinde het sportschieten te mogen beoefenen in de Franse Gemeenschap, kan het verder niet als relevant worden
beschouwd of de plaats waar de betrokken wapens en munitie die voor de beoefening van het sportschieten zijn bestemd zich bevinden, al dan niet in het Franse taalgebied gelegen is.

Artikel 2, § 1, van het sportschuttersdecreet staat overigens de beoefening van het sportschieten in de Franse Gemeenschap ook toe indien men beschikt over een vergunning van de Vlaamse of de Duitstalige Gemeenschap. Daaruit blijkt dat het beleid van de andere gemeenschappen in geen geval door de bestreden bepaling kan worden gedwarsboomd.

B.12. Het middel kan niet worden aangenomen.

Ten aanzien van het derde middel

B.13. Het derde middel is afgeleid uit een schending, door artikel 2 van het sportschuttersdecreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat die bepaling geen onderscheid maakt naar gelang van het soort activiteit van de schutter.

B.14. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

B.15. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever om, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid inzake de sport, het toepassingsgebied van het sportschuttersdecreet te bepalen.
Artikel 1, 5°, van het decreet omschrijft het sportschieten als de schietdisciplines bepaald door de internationale schietfederaties en de erkende schietfederaties.

B.16. Ten aanzien van de aangevochten maatregel kunnen degenen die het sportschieten in competitie beoefenen en degenen die het sportschieten recreatief beoefenen niet worden geacht zich in wezenlijk verschillende situaties te bevinden.

B.17. Het middel kan niet worden aangenomen.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 februari 2005.

De griffier, De voorzitter,

L. Potoms / A. Arts

BijlageGrootte
GW_2005_042n.pdf48.25 KB