Grondwettelijk Hof - arrest 2006/169 van 8 november 2006

Informatie
Rechtscollege: 
Grondwettelijk Hof
Datum: 
woensdag, november 8, 2006
Samenvatting

Wapenwet 2006 - vordering tot schorsing - verlies cliënteel - verlies mogelijkheden deelname olympische spelen - geen ernstig nadeel - schorsing ongegrond - overgangsbepalingen art. 48 ongrondwettelijk

Dit arrest werd gewezen na de vordering tot schorsing ingesteld door heer Armand Hommers en de BVBA Midarms. Voornamelijk de ongrondewettelijkheid van artikel 48 van de wapenwet van 2006 werd aangevochten.

Naar aanleiding van dit arrest werd de wapenwet voor de eerste keer gewijzigd in november 2006, zodat de overgangstermijn verlengd werd van 9 december 2006 tot 30 juni 2007.

Het Hof overweegt het volgende:

B.3.1. In hun verzoekschrift betogen de verzoekende partijen dat hun vordering tot schorsing niet de volledige nieuwe wapenwet beoogt maar enkel de organisatie van de overgangsperiode en het gebrek aan rechtszekerheid dat ermee gepaard gaat, wat hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen berokkenen.

Tijdens de pleidooien hebben de partijen gepreciseerd dat hun vordering tot schorsing enkel betrekking heeft op artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet.

Het Hof beperkt zijn onderzoek dus tot die bepaling.

Eerst onderzoekt het Hof of het middel (dit is de reden waarom volgens ons het artikel strijdig is met de grondwet) ernstig is. Een middel is ernstig indien het in de latere procedure aanleiding zou kunnen geven tot de vernietiging. Het Hof oordeelt dat ons middel ernstig is, en dat artikel 48, al. 2 wapenwet in strijd is met de Grondwet.

Vooreerst stelt het Hof vast dat het de wetgever vrij staat om de wetgeving te wijzigen. Daarbij dient de wetgever in een overgangsregeling te voorzien. In de nieuwe wapenwet is echter geen dergelijke overgangsregeling voorzien. Wie vergunning heeft die ouder zijn dan vijf jaar, bevond zich op 9 juni onmiddellijk in de illegaliteit. De nieuwe wapenwet regelt geen procedure volgens dewelke de houders van oude vergunningen zich in regel kunnen stellen.

Het Hof volgt daarbok de stelling van de verzoeker:

B.9. In deze zaak legt de wetgever een hernieuwing op door de provinciegouverneur van alle vergunningen en erkenningen die sedert meer dan vijf jaar zijn afgegeven of gewijzigd, terwijl, onder de gelding van de vroegere wetgeving, de geldigheid ervan in beginsel niet in de tijd beperkt was.

De wet bevat overigens geen overgangsbepaling, in afwachting van de beslissing van de gouverneur, ten gunste van de houders van die vergunningen en erkenningen, hoewel overgangsbepalingen zijn opgenomen, met name in artikel 44, voor andere adressaten van die wet, zelfs al hadden die, zonder titel, een wapen of munitie voorhanden waarvoor, krachtens de vorige wetgeving, een vergunning vereist was.

Daarop had de ministerraad tijdens de pleidooien geantwoord dat in de circulaire wel in een overgangsregeling voorzien is (zie punt 1.3. van de circulaire van 8 juni 2006). In een rechtsstaat worden de wetten gemaakt door de verkozenen van het volk. Een circulaire, die enkel een interne administratieve instructie is, heeft geen voorrang op de wet. Enkel in de dictaturen is het zo dat de administratie zelf reglementen kan uitvaardigen zonder democratische controle. Het Hof antwoordt dan ook als volgt op het argument van de ministerraad:

B.10.2. Het Hof kan, bij het onderzoek van het ernstig karakter van een middel dat gericht is tegen een wetsbepaling, geen voorrang geven aan de tekst van een omzendbrief op de wettekst.

Derhalve kan de circulaire niet door de administratie worden ingeroepen om vernieuwing te eisen van vergunningen ouder dan vijf jaar.

Het Hof besluit dat het middel ernstig is:

B.11. Uit wat voorafgaat volgt dat de toepassing van artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet, doordat ten aanzien ervan in de wet in geen enkele overgangsbepaling is voorzien, terwijl voor andere bepalingen de inwerkingtreding ervan door de wet zelf wordt vertraagd, tot gevolg zal hebben dat een categorie van personen, van de ene op de andere dag, in de illegaliteit zal terechtkomen en aan strafvervolging zal worden blootgesteld, zonder dat te gepasten tijde de vereiste vergunningen zouden kunnen worden verkregen. De toestand van onwettigheid die die personen raakt en aan strafrechtelijke vervolging blootstelt, is des te willekeuriger daar zij zal variëren volgens de datum waarop de vergunningen die zij in het verleden hadden gekregen, zijn uitgereikt : artikel 48, tweede lid, verklaart de erkenningen en vergunningen afgegeven krachtens de voormelde wet van 3 januari 1933 geldig « gedurende 5 jaar vanaf hun afgifte of de laatste wijziging ervan waarvoor rechten en retributies werden geïnd ».

Niets lijkt te verantwoorden dat, onder degenen die « erkenningen en vergunningen » bezaten die waren afgegeven krachtens de voormelde wet van 3 januari 1933, waarvan de geldigheidsduur in beginsel onbeperkt was, sommigen zich onmiddellijk in de illegaliteit bevinden, terwijl anderen in de legaliteit blijven, afhankelijk van de datum van de vergunningen die zij in het verleden hebben gekregen, terwijl zij niet hebben kunnen voorzien, toen zij die vergunningen aanvroegen, dat die op een bepaalde dag nietig zouden zijn en op welke datum zij nietig zouden worden.

B.12. Binnen de perken van het onderzoek waartoe het Hof in het kader van de behandeling van een vordering tot schorsing kan overgaan, moet het middel dus ernstig worden geacht in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De vordering tot schorsing werd echter wel onontvankelijk verklaard, omdat onvoldoende is aangetoond dat de BVBA Midarms en de heer Hommers een “ernstig en moeilijk te herstellen nadeel” lijden. Het nadeel van de BVBA Midarms werd door het Hof als een louter financieel nadeel beschouwd, zodat het te herstellen is met een schadevergoeding. Het nadeel van de heer Hommers (niet meer kunnen trainen als sportschutter) werd als een louter persoonlijk nadeel gezien in de beoefening van zijn hobby, en dus niet als een ernstig nadeel.

Hoewel dus artikel 48, al. 2 wapenwet niet geschorst werd, is de uitspraak van het Arbitragehof positief.

BijlageGrootte
arrest2006_169.pdf94.9 KB