Raad van State - arrest nr. 161.217 - intrekking vergunningen - eerdere veroordeling en feiten - hoorplicht - redelijkheidsbeginsel

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
dinsdag, juli 11, 2006

Feiten:

In 1996 vraagt een lid van een schuttersvereniging een vergunning aan tot het voorhanden hebben van een (toenmalig) "oorlogswapen" Bushmaster kal. 223 Remington. De gouverneur verzoekt de lokale politie om advies. Het advies meldt dat de aanvrager "gekend" is, en een voorwaardelijke veroordeling voor verschillende diefstallen met braak, inklimming of valse sleutels opliep in 1988.

Vervolgens weigert de gouverneur in december 1996 de aangevraagde vergunning. Daarnaast beslist hij ook alle andere wapenvergunningen van betrokkene in te trekken. Betrokkene werd daarbij nooit gehoord.

Getoetste bepalingen:

  • het vroegere artikel 6, §1 wapenwet, thans grotendeels overgenomen alsartikel 11, §1, tweede lid wapenwet (intrekking wapenvergunning om redenen van openbare orde);
  • beginselen van behoorlijk bestuur: hoorplicht en "redelijkheidsbeginsel"

Beslissing Raad van State:

De Raad van State vernietigt de beslissing van de gouverneur, op de volgende gronden:

  • een belsissing tot intrekking van de vergunningen moet worden geacht op een meer dan geringe wijze nadelig te zijn voor de belangen van de wapenbezitter. Het bestuur dat de beslissing neemt moest de betrokkene in de gelegeheid hebben gesteld zijn zienswjize aangaande de voorgenomen intrekking naar voren te brengen. Dit was hier niet gebeurd, dus is de hoorplicht geschonden.
  • Betrokkene voert aan dat de gouverneur, bij zijn beslissing, heeft gesteund op feiten die dateren van voor het veroordelende vonnis voor de diefstallen in 1988. In het administratief dossier bevindt zich geen afschrift van het vonnis, en nergens blijkt uit dat de gouverneur kennis genomen heeft van de juiste toedracht van de feiten. De veroordeling is bovendien meer dan 8 jaar geleden, en uit het dossier blijken geen andere ongunstige feiten, wel in tegendeel. Een PV van 1996 van de gerechtelijke politie bevestigt dat de betrokkene zowel op privé als op professioneel vlak goed staat aan geschreven en dat geen negatieve elementen bekend zijn. Hetzelfde blijkt uit het verslag van de korpschef. De Raad van State oordeelt dat het redelijkheidsbeginsel geschonden is doordat de gouverneur zich baseert op feiten die reeds meer dan acht jaar oud waren, en waarvan de relevantie bij gebrek aan nader onderzoek niet kon vaststaan. Bovendienw er geen rekening gehouden met het goede gedrag van verzoeker sinds de feiten
  • De beslissing van de gouverneur wordt vernietigd, de gouverneur wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

BijlageGrootte
161217meneve.pdf25.6 KB