Raad van State - arrest nr. 171.888 - intrekking vergunningen - gebrek aan zelfbeheersing - motivering - uitwissing veroordeling na eerherstel - motivering

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
donderdag, juni 7, 2007

Feiten:

In januari 2000 vraagt betrokkene, lid van 2 schuttersverenigingen, een vergunning aan tot het voorhanden hebben van een verweerwapen. Vermits in april 2000 nog geen beslissing is genomen, gaat de betrokkene in beroep bij de provinciegouverneur (onder de oude wapenwet moesten "verweervuurwapens" worden vergund door de politiecommissaris. Bij uitblijven van een beslissing binnen de 3 maand, of bij een negatieve beslissing, was een administratief beroep bij de provinciegouverneur mogelijk.)

Zowel de lokale politie als de Procureur des Konings adviseren de aanvraag negatief, gelet op de moraliteit en het van de standaard afwijkend gedrag en karakter, met meer in het bijzonder zijn labiele gedrag qua zelfbeheersing bij conflictsituaties ("beheersproblemen wanneer adrenaline stijgt"). De informatie bevestigt bovendien dat de aanvrager een opvliegend karakter heeft en al te vaak "toevallig" in de buurt is bij conflictsituaties en./of fysieke en verbale dreigingen.

Betrokkene en zijn raadsman worden gehoord en leggen een nota neer om de elementen uit het advies te weerleggen. Er wordt een voorstel gedaan om een "voorlopige vergunning" toe te kennen, wat niet kon onder de wapenwet van 1933 (art. 32 wapenwet voorziet nu in de mogelijkheid om een vergunning voor bepaalde duur toe te kennen indien de gouverneur zulks kan motiveren op basis van openbare orde).

De gouverneur weigert de vergunning te verlenen, betrokkenen gaan in beroep bij de Raad van State

Getoetste bepalingen:

  • het vroegere artikel 6, §1 wapenwet, thans grotendeels overgenomen alsartikel 11, §1, tweede lid wapenwet (intrekking wapenvergunning om redenen van openbare orde);
  • motivering van bestuurshandelingen (wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen)

Beslissing Raad van State:

De Raad van State bevestigt de beslisisng van de gouverneur. Uit het feit dat betrokkene uitgebreid kon antwoorden op alle elementen die aan de bestreden beslissing ten grondslag lagen, blijkt dat hij al deze elementen kende. Het normdoel van de wet motivering bestuurshandelingen is bereikt daar betrokkene in staat was zich tegen de beslissing te verweren op hte stuk van de motieve met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt.

De gouverneur en de lokale politie hebben een riumte discretionaire bevoegdheid om, op basis van de informatie waarover zij beschikken, te beoordelen of er redenen van openbare orde zijn om de vergunning te weigeren. Betrokkene had ook ruim de mogelijkheid om de onjuistheid van de ingeroepen feiten aan te tonen en zijn argumenten te laten gelden.

In dit dossier kreeg betrokkene in 1995 herstel in eer en in rechten (art. 634 Sv.). Betrokkene voert aan dat de overheid bij de beoordeling van het dossier met de uitgewiste veroordeling geen rekening meer mag houden. De Raad van State overweegt dat deze opmerking niet relevant is, vermits de aangevochten beslissing niet gemotiveerd is op de "gerechtelijke antecedenten", maar op een geheel van feiten (waaronder de uitgewiste veroordeling) waaruit het opvliegende karakter en het gebrek aan zelfbeheersing in conflictsituaties van de betrokkene blijkt.

De beslissing van de gouverneur wordt bevestigd, verzoeker wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

Commentaar

Indien de beslissing wél gemotiveerd zou zijn op de uitgewiste veroordeling na het eerherstel, dan zou ze wel het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep miskennen waarin het eerherstel werd toegekend. Uitgewiste beslissingen kunnen ook geen aanleiding geven tot onontvankelijkheid van de vergunningsaanvraag wegens een in art. 5, §4 van de wapenwet opgesomde veroordeling.