Raad van State - arrest nr. 175.184 van 28 september 2007 - intrekking vergunning - openbare orde - hoorplicht - geen vrijstelling feiten vatbaar voor eenvoudige vaststelling door het bestuur

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
vrijdag, september 28, 2007

Dit arrest gaat over de principiële vraag of de overheid de wapenbezitter wiens vergunningen ze wil intrekken, voorafgaandelijk moet horen.

De Raad van State heeft eerder reeds tientallen beslissingen van provinciegouverneurs waarin een wapenvergunning wordt ingegrokken vernietigd omdat de betrokkene niet gehoord wordt.

Algemeen genomen geldt de hoorplicht als een overheid een beslissing wil nemen die de betrokkene raakt.

In casu overweegt de Raad van State:
"Door de vergunning van verzoeker tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen op grond van die gegevens in te trekken, moet de bestreden beslissing geacht worden hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen te raken. Krachtens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan een dergelijke beslissing slechts genomen worden nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze aangaande de voorgenomen maatregel naar voren te brengen.'

De hoorplicht geldt niet, als de beslissing gebaseerd is op een feit dat door de administratie direct en eenvoudig kan worden vastgesteld, zodat eigenlijk verdere argumentatie van de betrokkene niet zinvol is en geen invloed meer kan hebben op de beslissing die het bestuur zinnens is te nemen. Zo b.v. kunnen wij ons voorstellen dat een weigeringsbeslissing van een wapenvergunning kan worden genomen zonder de betrokkene te horen, als vaststaat dat betrokkene veroordeeld werd voor een misdrijf dat elk wapenbezit uitsluit (zie art. 11, §3, 2° en art. 5, §4 wapenwet).

Echter, bij een intrekking van een wapenvergunning om redenen van openbare orde, maakt de gouverneur een afweging waarbij hij uit het gedrag van de betrokkene gaat afleiden dat dit gedrag een gevaar voor de openbare orde oplevert, hetwelk een intrekking van de wapenvergunning verrechtvaardigt. In dergelijke gevallen moet betrokkene gehoord worden:

"De Raad van State valt niet bij dat de verwerende partij daar in onderhavig geval van vrijgesteld was om reden dat de feiten vatbaar zouden zijn geweest voor een directe, eenvoudige constatering door het bestuur en dat het horen van verzoeker hoe dan ook niet de beslissing zou hebben kunnen beïnvloeden. In principe immers is het afwegen van het gevaar van iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid niet gelijk te stellen met de directe vaststelling van een feit. Het blijkt niet dat het te dezen anders is, ook al zou er over alvast één van de feitelijke gegevens die de verwerende partij in aanmerking heeft genomen geen twijfel bestaan, namelijk dat verzoeker met zijn wapen een hond heeft doodgeschoten.
Het is, tenslotte, onduidelijk wanneer verzoeker “voor het bestuur zelf” de hoorplicht had kunnen doen gelden, aangezien hij door de intrekkingsmaatregel onverhoeds overvallen blijkt.

De beslissing van de gouverneur te Oost-Vlaanderen werd dus vernietigd.

Echter, niets belet deze gouverneur om later een nieuwe beslissing te nemen, mits het naleven van de hoorplicht.

BijlageGrootte
175184.pdf12.33 KB