Raad van State - arrest nr. 178.161 - weigering vergunning - veroordeling - geen discretionaire bevoegdheid gouverneur- geen hoorplicht

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
donderdag, december 20, 2007

Feiten:

In maart 2007 vraagt betrokkene, via de lokale politie, een vergunning aan om 11 vroeger "jacht- en sportwapens" te vergunnen. Er wordt een registratieformulier "model 6" uitgereikt.

In het bericht aan de gouverneur wordt vermeld dat er gerechtelijke antecedenten gekend zijn, waarbij betrokkene in 1997 veroordeeld is wegens opzettelijke slagen en verwondingen. De Procureur des Konings vermeldt nog in zijn advies dat betrokkene deel uitmaakt van een bende oplichters waartegen een gerechtelijk onderzoek loopt, en dat betrokkene een agressief en onbetrouwbaar individu is waardoor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevaar is voor de openbare orde en veiligheid.

In juli 2007 beslist de gouverneur om aanvraag voor de 11 wapenvergunningen onontvankelijk te verklaren (op basis van art. 11, §3, 2° en art. 5, §4 wapenwet) en verzoeker het recht te ontzeggen over die vuurwapens te beschikken (toepassing art. 13, eerste lid wapenwet).

De gouverneur weigert de vergunning te verlenen, betrokkenen gaan in beroep bij de Raad van State.

Getoetste bepalingen:

  • art. 13, eerste lid wapenwet;
  • art. 48 en 11 wapenwet

Beslissing Raad van State:

De betrokkene voert aan dat de veroordeling dateert van 1997, en dat de feiten die tot de veroordeling leidden zich afspeelden in 1995. Volgens betrokkene kan de gouverneur met deze oude feiten geen rekening meer houden, temeer daar sedert 1997 de betrokkene nooit meer in contact gekomen is met het gerecht, zich in het maatschappelijk leven geïntegreerd heeft en noch agressief, noch onbetrouwbaar is.

De Raad van State stelt vast dat, door de veroordeling, de aanvrager niet aan de wettelijke voorwaarde voldoet van art. 11, §3, 2° wapenwet en bevestigt dat de gouverneur ter zake geen enkele discretionaire bevoegdheid heeft, zodat hij niet anders kon dan de vergunning te weigeren.

Verder wordt aangevoerd dat er een discriminatie is tussen personen die eerherstel toegekend kregen na de veroordeling (en die dus wel aan de voorwaarden voldoen), en de personen die nog geen eerherstel kregen. De Raad van State stelt vast dat het twee verschillende categorieën van personen betreft, vermits in het kader van de beslissing tot eerherstel een onderzoek gevoerd wordt, wat niet het geval is voor wie nog veroordeeld is. Het louter indienen van een verzoek tot eerherstel wijzigt niets aan de situatie van de aanvrager.

Betrokkene voort eveneens aan dat hij nooit werd gehoord. De Raad van State verwerpt dit middel. Het feit waarop de weigering van de vergunning gebaseerd zijn (nl. het bestaan van een veroordelend arrest) is voor eenvoudige vaststelling door het bestuur vatbaar, waartegen door de aanvrager niets kan worden ingebracht tijdens de hoorprocedure. Na het vaststellen van de veroordeling kon de gouverneur immers ook niet anders dan de vergunning weigeren, vermits niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

De beslissing van de gouverneur wordt bevestigd, verzoeker wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

BijlageGrootte
178161Chabchoub.pdf19.22 KB