Raad van State - arrest nr. 192.046 - aanvraag vergunning - veroordeling afpersing met geweld uin 1986 - ontontvankelijkheid aanvraag - feit voor eenvoudige vaststelling vatbaar - geen hoorplicht

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
dinsdag, maart 31, 2009

Feiten

Een schutter werd in 1986 veroordeeld door de correctionele rechtbank wegens afpersing door geweld of bedreigingen.

In het kader van de nieuwe wet vraagt hij voor een tweeloop een wapenvergunning aan (toepassing art. 44, §2 wapenwet).

Bij deze aanvraag stelt de gouverneur vast dat de betrokkene veroordeeld is voor een misdrijf zoals bepaald in artikel 5, §4 wapenwet. De gouverneur stelt dat de aanvraag onontvankelijk is. De vergunning wordt dus niet verleend.

Getoetste normen

Beginselen behoorlijk bestuur - hoorplicht
artikel 5, §4 wapenwet
artikel 44, §2 wapenwet
artikel 9, §2, 4° Vlaams Sportschuttersdecreet
artikel 6, §1, tweede lid wapenwet 1933

Arrest

Betrokkene voert aan dat hij eerst moest gehoord worden door de gouverneur alvorens deze een beslissing kan nemen die hem nadelig raakt in zijn belangen. Algemeen wordt aangenomen dat de hoorplicht niet geldt indien de maatregel door het bestuur genomen wordt op basis van een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatering vatbaar is.

De Raad van State oordeelt dat de overheid eenvoudig kon vaststellen dat betrokkene veroordeeld werd op grond van de artikelen 468 en 470 van het Strafwetboek, en dat deze veroordelingen, op basis van art. 5, §4 wapenwet, elk wapenbezit uitsluiten.

Het tweede middel is onduidelijk geformuleerd. Betrokkene roept de schending in van het sportschuttersdecreet en de oude wapenwet. Nochtans werd zijn sportschutterslicentie, net omwille van de veroordeling, geweigerd. Het decreet werd door de gemachtigde federatie juist toegepast. De Raad van State is van oordeel dat het sportschuttersdecreet in deze zaak niet van toepassing is: dit decreet bepaalt immers de voorwaarden voor het afgeven van een sportschutterslicentie, en niet de voorwaarden voor het afgeven van een wapenvergunning. Ook de verwijzing naar artikel 6 van de wet van 1933 is niet relevant. De Raad van State merkt op dat deze wet inmiddels werd opgeheven...

Derhalve kon de overheid niet anders dan vaststellen dat, gelet op de veroordeling, de aanvraag onontvankelijk is. Dat het wapenbezit dan geen gevaar oplevert voor de openbare orde, is niet relevant.

Het beroep wordt verworpen, verzoeker wordt veroordeeld tot de kosten.

BijlageGrootte
192046.pdf19.93 KB