Raad van State arrest nr. 228.348 van 12 september 2014 - openbare orde - motivering - zorgvuldigheidsbeginsel - feiten die geen verband houden met wapenbezit

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
vrijdag, september 12, 2014

Hierbij een link naar een interessant arrest van de Raad van State (Franstalige kamer).

Het arrest geeft opnieuw enkele interessante inzichten over het begrip "openbare orde". De gouverneur kan, indien de openbare orde mogelijk in het gedrang komt, een wapenvergunning intrekken (art. 11, §1 WW) of het recht om wapens voorhanden te hebben op basis van de uitzondering van art. 12 WW beperkt (art. 13, al. 2 WW). Een vergunning kan ook worden geweigerd indien er indicaties zijn dat het wapenbezit de openbare orde in het gedrang kan brengen.

In Vlaanderen interpreteren zowel de gouverneurs als de Federale Wapendienst het begrip "openbare orde" zeer ruim. De minste overtreding, zelfs b.v. verkeerd parkeren, niet betalen van parkeerboetes, een meningsverschil, burenruzie, discussie tijdens een echtscheiding, ... kunnen reeds voldoende zijn om vergunningen in te trekken. De beweerde "feiten" zijn doorgaans gebaseerd op een geheime politie databank (het ANG) waaruit wat info gehaald wordt. In veel gevallen worden de feiten onvoldoende zorgvuldig onderzocht.

Daardoor gebeurt het in Vlaanderen zeer vaak dat vergunningen worden ingetrokken. Als blijkt dat de feiten niet juist zijn, kan de intrekking worden teruggedraaid via het administratief beroep bij de minister van Justitie.

De vraag stelt zich echter of de gouverneur elk feit, ook een feit dat totaal geen verband houdt met wapenbezit, kan inroepen. De Vlaamse gouverneurs menen dat zelfs uit het plegen van kleine overtredingen een "patroon" kan blijken waaruit een duidelijk criminele ingesteldheid blijkt die de openbare orde in het gedrang kan brengen en dus wapenbezit uitsluit.

In 2 recente arresten spreekt de Raad van State zich nu uit tegen deze praktijk. In een eerste arrest van 6 mei 2014 (nr. 227.290) werd een beslissing van de minister van Justitie vernietigd waarin het gevaar voor de openbare orde werd afgeleid uit een feit van dronkenschap. Vermits dit feit geen verband houdt met het wapenbzit, oordeelde de Raad van State dat het feit niet pertinent is om te beoordelen of wapenbezit een gevaar voor de openbare orde kan inhouden.

Het nieuwe arrest van 12 september 2014 gaat hierop verder. Een intrekking van het wapenbezit om redenen van openbare orde wordt "gemotiveerd" aan de hand van volgende feiten:

  • dracht van een pepperspray in 1997
  • slagen en verwondingen in 2003, feiten die niet volledig vaststaan en niet tot een veroordeling hebben geleid
  • uiten van bedreigingen

Belangrijk is om op te merken dat betrokkene ondertussen nog diverse bijkomende vergunningen ontving in 1998 en in 2004.

Het eerste feit betrof een bus pepperspray binnen handbereik in het voertuig van betrokkene. Deze bus werd nooit gebruikt. Bovendien was er in 1997 nog onduidelijkheid over het al dan niet verboden zijn van pepperspray. Bovendien kan een vergunningsaanvraag geen betrekking hebben op verboden wapens. Het feit is dus niet pertinent om het gevaar voor openbare orde te beoordelen. Het auditoraat merkte overigens nog op dat uit het feit dat een strafrechtelijke inbreuk gepleegd is, niet per se kan worden afgeleid dat de openbare orde in het gedrang is gebracht.

De Raad van State komt tot de conclusie dat voor het tweede feit niet is vastgesteld dat er sprake was van verwondingen, er is ook geen wapen gebruikt. Het feit is dus niet relevant.

Voor het derde feit komt de Raad van State tot de conclusie dat er onvoldoende elementen in het dossier aanwezig zijn om te besluiten dat het feit effectief gepleegd is. Alles berust op een loutere verklaring afgelegd door de schoonbroer van de wapenbezitter. Geen enkel feit kan deze verklaring bevestigen, zodat het feit niet vast staat. Feiten die niet onomstotelijk vaststaat, kunnen een intrekkingsbeslissing niet ondersteunen.

De beslissing van de minister van Justitie wordt dus vernietigd op basis van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de wet op de motivering van bestuurshandelingen.