Raad van State - arrest nr. 231.029 dd. 29 april 2015 - wapenvergunning - voorwaarden - onwettigheid beslissingen minister van Justitie

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
woensdag, april 29, 2015

Dit is een bijzonder belangrijk principe arrest dat van bijzonder belang is voor Vlaamse sportschutters die een wapenvergunning aanvragen.

De achtergrond van de zaak kan worden samengevat als volgt. De nieuwe wapenwet van 2006 heeft van de bevoegdheid tot het toekennen van wapenvergunning een gebonden bevoegdheid gemaakt. Dit betekent dat alle voorwaarden voor de afgifte van een wapenvergunning zijn opgenomen in de wet (art. 11, §3 WW). Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan MOET de gouverneur de vergunning afleveren. Als niet aan de voorwaarden is voldaan, dan mag de gouverneur de vergunning niet afleveren.

Deze ontwikkeling is al enkele jaren een doorn in het oog van de Vlaamse gouverneurs en van sommige ambtenaren binnen de provinciale wapendiensten die hun persoonlijke politieke anti-wapen overtuiging zoveel als mogelijk laten doorwerken in de beslissingen die ze nemen. Om hun beleid toch enige zweem van objectiviteit te geven, werd beslist om vergunningen voor sommige wapens te weigeren. Aanvankelijk werden vergunningen voor "baby wapens" (korte handvuurwapens) geweigerd omdat deze zogezegd niet geschikt waren om aan recreatief schieten te doen. De Raad van State besliste tot tweemaal toe dat deze praktijk onwettig is (zie arresten 215.411, 220.039 en 220.040)

Terzelfdertijd voerden de Vlaamse gouverneurs eigenhandig een nieuwe categorie van "VMR" ("verhoogd maatschappelijk risico") wapens toe aan de wapenwet. Een gouverneur van Oost-Vlaanderen deinsde er destijds niet voor terug om het in de pers en tijdens een vergadering in het parlement te hebben over "rambo moordwapens", waarmee de inmiddels overleden gouverneur een bevolkingsgroep van wapenbezitters die zich strikt aan de wet houden als moordenaars bestempeld.

Met steun van AVWL hebben tal van wapenbezitters deze schendingen van de wapenwet herhaaldelijk aangevochten bij de Raad van State. In elk van deze gevallen werd de procedure gewonnen.

Wij vatten hierna het mijlpaalarrest van 29 april 2015 kort samen.

Feiten
Een wapenbezitter, houder van een geldige sportschutterslicentie in alle wapencategorieën, vraagt in 2012 een zestal vergunningen aan voor het verwerven van vergunningsplichtige wapens. Door de achterstand in de provincie Oost-Vlaanderen was ook nog niet beslist over in november 2006 (!) aangevraagde hernieuwing van zijn vergunningen afgegeven onder de oude wapenwet en van de vergunningen voor zijn vroegere "jacht- en sportwapens" (aangevraagd in juni 2006...)

Zoals gebruikelijk in Oost-Vlaanderen in deze periode, wordt niet op de vergunningsaanvraag geantwoord. Als de gouverneur niet beslist binnen de vier maanden na het indienen van de aanvraag, dan kan het administratieve beroep bij de minister van Justitie worden ingediend (art. 30 WW) binnen de 15 dagen na het vervallen van de termijn..

De wapenbezitter stelt het administratieve beroep tijdig in bij de federale wapendienst. In augustus 2013 beslist de federale wapendienst om de in september 2012 aangevraagde vergunning voor nieuwe wapens te verlenen.

Daarnaast doet de minister, hoewel hij daar niet voor bevoegd is, ook uitspraak over het hernieuwen van de oude vergunningen en over het vergunnen van de vroegere jacht- en sportwapens.

Als kers op de taart wordt ook nog de voorwaarde opgelegd dat de wapenbezitter jaarlijks met elk wapentype (zoals gedefinieerd in de Vlaamse regelgeving...) minstens 10 keer gaat schieten. Vermits het gaat over wapens in elk van de vijf wapencategorieën, worden dus 50 schietbeurten per jaar opgelegd.

De wapenbezitter beslist daarna om in beroep te gaan bij de Raad van State om de beslissing te laten vernietigen. Interessant is dat niet de volledige vernietiging van de beslissing wordt gevraagd. Er wordt enkel vernietiging gevraagd in de mate dat (i) uitspraak wordt gedaan buiten de bevoegdheid van de minister en (ii) een voorwaarde wordt opgelegd om 10 keer per jaar met elk wapentype te gaan schieten.

Beslissing Raad van State
De wapenbezitter krijgt gelijk van de Raad van State over de hele lijn.

Er wordt aangenomen dat het mogelijk is om een beslissing gedeeltelijk te laten vernietigen. Dit heeft voor de wapenbezitter het voordeel dat de toegekende vergunning geldig blijven, maar dat enkel de voorwaarde vernietigd wordt.

Eerst bekijkt de Raad van State of de minister van Justitie bevoegd was om uitspraken te doen over het hernieuwen van oude vergunningen en over de aanvragen van vergunning voor vroegere jacht- en sportwapens.

De Raad van State leest artikel 30, eerste lid van de wapenwet en stelt vast dat er enkel een georganiseerd administratief beroep bestaat tegen de beslissingen opgenomen in dat artikel. Er is dus enkel administratief beroep mogelijk tegen het uitblijven van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 WW bepaalde termijnen. Vermits het hernieuwen van oude vergunningen onder artikel 44 en 48 van de wapenwet hier niet onder vallen, is de minister niet bevoegd.

Ook oer het argument van de minister van Justitie als zou het beroep "impliciet ook de behandeling van de andere aanvragen door de Federale Wapendienst inhouden" en dat "verzoeker [diende] geacht te worden het geheel van de problematiek van de grote hoeveelheid wapens te hebben onderworpen aan het oordeel van de federale wapendienst" wordt gezegd dat dit feitelijke grondslag mist.

De Raad van State besluit:
"Uit wat voorafgaat volgt, dat de verwerende partij onbevoegd was om zich in de bestreden beslissing eveneens uit te spreken over de hernieuwings- en regularisatieaanvragen van verzoeker die bij de gouverneur aanhangig waren. Door aldus ultra petita te oordelen, overschrijdt zij haar toegewezen bevoegdheid.

Anders dan wat de verwerende partij stelt, houdt de devolutieve werking van het administratief beroep niet in dat de beroepsinstantie zich zou mogen uitspreken over handelingen of - zoals te dezen - het stilzitten van de in eerste aanleg bevoegde administratieve overheid, die niet uitdrukkelijk door of krachtens de wet aan haar zijn opgedragen. Evenmin rechtvaardigt een beroep op de "gelijkheid in behandeling" deze bevoegdheidsoverschrijding."

Vervolgens gaat de Raad van State na of de minister bevoegd was om voorwaarden op te leggen aan de wapenvergunning. Op basis van eerdere rechtspraak van de Raad van State verdedigt de wpaenbezitter dat de bevoegdheid om een wapenvergunning toe te kennen een gebonden bevoegdheid is waarbij alle voorwaarden in de wet zijn opgesomd. Het komt niet aan de overheid toe om voorwaarden toe te voegen aan de wet. De minister van Justitie antwoordt hierop dat betrokkene reeds meer dan 20 wapens in bezit heeft en dat er dus twijfel kan zijn over de echtheid van zijn wettige reden.

De Raad van State onderzoekt eerst of de wettige reden voldoende bewezen wordt aan de hand van de sportschutterslicentie. Op basis van artikel 2, KB 29/12/2006 en art. 11, §3, eerste lid, 9° WW zegt de Raad van State het volgende:
Uit deze bepalingen volgt dat, in hoofde van de houder van een geldige sportschutterslicentie, het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie en het uitsluitend gebruik van het wapen voor de wettige reden "sportief en recreatief schieten", volstaan om te doen blijken van de wettige reden "sportief en recreatief schieten" voor het verwerven en het voorhanden hebben van het betrokken wapen en munitie."

De sportschutterslicentie is dan ook voldoende. De Raad van State meldt uitdrukkelijk dat het opleggen van voorwaarden niet kan:

"Geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling machtigt de minister van Justitie om aan een sportschutter die aan de voormelde wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet, ter evaluatie van de aangevoerde wettige reden, de afgifte van een vergunning afhankelijk te stellen van de ontbindende voorwaarde van het voorleggen van het bewijs van minstens tien schietbeurten met elke categorie wapens waarvoor de vergunning wordt gevraagd".

Duidelijk kan dit onzes inziens niet geformuleerd worden. Het standpunt dat wij eerder innamen in onze publicaties is hiermee uitdrukkelijk bevestigd in de rechtspraak van de Raad van State. Enkel indien de overheid afdoende kan aantonen dat het wapenbezit een concreet gevaar voor de openbare orde kan opleveren, kan eventueel nog een voorwaarde worden opgelegd.

Het is nu vraag of de betrokken gouverneurs en de federale wapendienst met dit arrest rekening zullen houden. Deze diensten hebben immers een bijzonder kwalijke reputatie op dit vlak. In de verslagen van de interprovinciale vergaderingen bij de federale wapendienst lezen wij dat de aanwezige ambtenaren zonder verpinken toegeven dat ze de arresten van de Raad van State niet zullen toepassen.

Wij adviseren wapenbezitters die nog geconfronteerd worden met beslissingen waarin een voorwaarde is opgenomen om steeds administratief beroep in te stellen tegen de vergunning in de mate dat de voorwaarde wordt opgelegd. Desgevallend kan ook schadevergoeding worden gevraagd. Er zijn ondertussen enkele vonnissen en arresten waarbij de overheden veroordeeld worden tot schadevergoeding voor wapenbezitters die het slachtoffer zijn van onwettige overheidsbeslissingen.

BijlageGrootte
arrest 231029 publicatie voorwaarden vergunning.pdf11.09 MB