Raad van State - arrest nr. 235.048 van 14 juni 2016 - art. 44, §2 WW - geen wettige reden vereist bij regularisatie - advies lokale politie bij beroepsprocedure

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
dinsdag, juni 14, 2016

Voor de tekst van het arrest, zie website Raad van State.

Dit lange, doch interessante arrest, verduidelijkt vooreerst de samenhang tussen de voorwaarden voor wapenbezit onder de nieuwe wapenwet (art. 11) en de regularisatieprocedure voor vroegere sport- of jachtwapens(art. 44).

Bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag gebaseerd op art. 44, §2 wapenwet mag de overheid geen rekening houden met motieven van openbare orde om de vergunning te weigeren. Dit belet echter niet dat de overheid zou kunnen overgaan tot intrekking van de vergunning (op basis van art. 11, §1 WW) of van het recht om het wapen voorhanden te hebben (op basis van art. 13, al. 2WW) indien er indicaties zijn dat het wapenbezit een gevaar kan inhouden voor de openbare orde.

In casu besliste de Raad van State dat de vergunning voor een geregulariseerd wapen ten onrechte werd geweigerd om redenen van openbare orde.

Tweede discussie die wordt voorgelegd aan de Raad van State betreft de vraag of de Federale Wapendienst, bij de behandeling van een administratief beroep, een tweede advies kan vragen aan de lokale politie en aan het parket. Daar antwoordt de Raad van State dat zulks niet wettelijk vereist is, maar dat het de Federale Wapendienst vrij staat dat advies te vragen. Er kan met dit advies rekening worden gehouden bij de beslissing van Federale Wapendienst. De lokale politie handelt eveneens niet onwettig door het advies te verstrekken aan de Federale Wapendienst.

Derde belangrijke discussie handelt over de vraag hoe de wettige reden "persoonlijke verdediging" wordt bewezen. De Raad van State verwijst hier naar het KB van 29 april 2006 waarin de voorwaarden voor het bewijs van deze wettige reden worden opgesomd. Daarbij wordt eveneens bevestigd dat de gouverneur een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft om te beoordelen in welke mate het wapenbezit veiligheidsrisico's kan beperken en/of in welke mate de reeds genomen andere veiligheidsmaatregelen van aard zijn om dit risico te beperken. Daarbij laten noch het redelijkheidsbeginsel, noch het zorgvuldigheidsbeginsel toe dat de Raad van State zich in de plaats stelt van de administratieve overheid.