Raad van State - arrest nr. nr. 235.149 van 21 juni 2016 - aanvraag door gouverneur ongewenst wapen - vernietiging weigeringsbeslissing

Informatie
Rechtscollege: 
Raad van State
Datum: 
dinsdag, juni 21, 2016

In dit arrest doet de Minister van Justitie afstand van geding in een zaak waarbij hij de toekenning van een wapenvergunning voor een wapen in kaliber 7,62 x 39 en 7,62 x 51 had geweigerd.

Een wapenbezitter dient twee aanvragen in voor een lang semi-automatisch wapen met getrokken loop in kaliber 7,62 x 39 en 7,62 x 51.

In het kader van de illegale afspraken tussen de Vlaamse Gouverneurs, vraagt de gouverneur te Vlaams-Brabant aan betrokkene om een bijkomende motivatie te geven omtrent de aanvraag. Vermits de Vlaamse gouverneurs nog altijd niet begrijpen waarom de wetgever in 2006 beslist heeft het onderscheid tussen verweer- en oorlogswapens af te schaffen (en dus de facto de strenge vergunningsvoorwaarden voor alle wapens toe te passen), vinden enkele Vlaamse gouverneurs het nog altijd nodig om ergens bijkomende procedure stappen te verzinnen. Dit probleem bestaat niet in Brussel of in Wallonië maar behelst een typisch Vlaams probleem. Dit verklaart ook mede waarom bij de Federale Wapendienst 85% van de beroepen wordt ingediend door Vlaamse aanvragers en slechts 15% door aanvragers uit Brussel en Wallonië.

Aan betrokkene werd gevraagd om te verduidelijken "waarom hij precies dit wapen vergund wilt [sic] hebben, of hij al ervaring heeft met een gelijkaardig wapen en welke disciplines hij er mee wilt beoefenen". Vermits betrokkene niet antwoord op deze onwettige en bovendien grammaticaal onjuist geformuleerde vraag, weigert de gouverneur de vergunning "omdat het bijgevolg niet mogelijk is om na te gaan of dit wapen voor de gekozen discipline geschikt is" en of hij wel de bedoeling heeft daadwerkelijk met dit wapen te schieten.

De minister van Justitie weigert de vergunning omwille van een proces verbaal dat bestond wegens illegaal bezit. Betrokkene was in het bezit van een revolver die vergund werd in 1997 en waarvoor uiterlijk op 31 oktober 2008 een nieuwe vergunning diende te worden aangevraagd (art. 48 WW). De aanvraag was laattijdig, betrokkene deed dan ook vrijwillig afstand van dit wapen. De Federale Wapendienst stelt deze onzorgvuldigheid vast en leidt daaruit af dat er ook een inbreuk is op de wapenwet. Vermits een veroordeling wegens inbreuken op de wapenwet leidt tot intrekking van een vergunning, kan ook geen vergunning worden toegekend.

Tijdens de procedure geeft verzoeker aan dat uit het feit dat hij zelf nog de aangifte deed en afstand deed van het wapen blijkt dat er geen gevaar voor de openbare orde kon voortvloeien uit de nalatigheid. Ook wordt ingeroepen dat het gevaar voor openbare orde niet a priori kan worden afgeleid uit de processen verbaal. In dit dossier werd louter uit het bestaan van dit PV het gevaar voor de openbare orde afgeleid, terwijl er geen enkele toetsing gebeurde over het bestaan van het gevaar in concreto (wat nochtans vereist is, zie arrest RvSt nr. 133.651 van 8 juli 2004).

Voorts wordt opgemerkt dat het onjuist is om te beweren dat elke inbreuk op de wapenwet a priori een voldoende reden zou zijn om een vergunning te weigeren op basis van openbare orde. Uit een onzorgvuldigheid met betrekking tot nakomen van administratieve verplichtingen kan niet automatisch het gevaar voor de openbare orde worden afgeleid.

Uit het auditoraatsverslag wordt vooreerst vastgesteld dat betrokkene niet veroordeeld werd wegens een inbreuk op de wapenwet. Er kan dus niet automatisch tot onontvankelijkheid van de vergunningsaanvraag worden besloten. In casu werd het PV geseponeerd wegens onvoldoende bewijs van enig misdadig opzet. Bij gebrek aan moreel element kon er dan ook geen sprake zijn van enig misdrijf.

Vermits uit het dossier duidelijk blijkt dat er geen sprake is van enige overtreding van de wapenwet, kon de Federale Wapendienst ook niet overgaan tot weigering van de vergunning op grond van een inbreuk op de wapenwet. De auditeur stelt dan ook voor om de beslissing van de Federale Wapendienst te vernietigen wegens schending van het redelijkheidsbeginsel.

Om publicatie van het voor de aanvrager gunstige arrest te vermijden, beslist de minister van Justitie om niet te antwoorden op het auditoraatsverslag waarin wordt voorgesteld de beslissing te vernietigen. Dit heeft dan tot gevolg dat de Raad van State een verkort arrest neemt waarin de beslissing nog wordt vernietigd.